HENRI KOEVOETS |
Je moet leren
omgaan met teleurstellingen. In dienst noemen we dat de ‘mental
training’, hard zijn, er overheen stappen en een nieuwe uitdaging
zoeken...
Henri Koevoets (56) is majoor
bij de Koninklijke Landmacht en lid van de selectiecommissie |
Ik ben geboren op 7 maart 1946. In 1964 heb ik me aangemeld voor de Koninklijke Militaire School in Weert. Na twee jaar ben ik onderofficier geworden in ‘s-Hertogenbosch, bij de opleiding van rekruten. Het beviel me zo goed dat ik besloot om door te studeren voor officier. Dat ben ik uiteindelijkin 1971 geworden. Ik heb verschillende functies gehad, ben uitgezonden geweest naar Libanon en ben uiteindelijk compagniescommandant geworden, hier in Weert. In 1988 ben ik bevorderd tot de rang van majoor. BindingDe dienst is me vanaf de eerste dag goed bevallen. Elke twee, drie jaar krijg je een andere functie. Je bent altijd bezig met jongelui. Voor mij is de sociale kant van het werk het belangrijkste. De groepsbinding, de samenwerking, steeds weer in wisselende groepen. Aanvankelijk met dienstplichtigen, jongens die tegen hun zin de dienst in kwamen. Het was telkens een uitdaging om daar een echte groep van te maken, om met die mannen een goed product neer te zetten. Omgaan met mensen is mijn lust en mijn leven. Ik ben gehuwd, heb twee kinderen, een dochter van 30 en een zoon van 27. De een is bijna afgestudeerd, de ander werkt. Ze zijn uitgevlogen. Mijn gezin is natuurlijk heel belangrijk voor me. Maar als je jong bent, dan denk je nog dat het leger zaligmakend is. Dan maak je soms de verkeerde keuzes, door misschien te veel aandacht te besteden aan het werk en dan het gezin wat te verwaarlozen. Dat is niet altijd verstandig. Naarmate je ouder wordt, komt daar een betere balans in. Naast het werk had ik verschillende functies als vrijwilliger. Op de kazerne zat ik in het bestuur van de mess, waar ik feesten organiseerde, borrels, recepties. Ik was toegevoegd officier bij het Rode Kruis hier in Weert, om de zaak organisatorisch draaiende te houden. Mijn kinderen speelden klarinet en hobo bij de harmonie. Ik wilde zelf al vanaf mijn jeugd trompet spelen, maar het was er nooit van gekomen. Dat heb ik toen op latere leeftijd opgepakt. Daarnaast had ik ook een bestuursfunctie bij de harmonie. Ik was ook nog jurylid bij de Limburgse schutterij. Ik heb de neiging om de meetlat voor mezelf enorm hoog te leggen. Ik moet oppassen dat ik ook nog een tevreden gevoel kan hebben over wat ik doe. Ik zie altijd hoe het beter kan. Soms moet tegen mezelf zeggen: het is goed geweest. DwarslaesieOp 13 maart 1989 moest ik in mijn functie naar Harderwijk. In de buurt van Otterloo kreeg ik een ongeval, een frontale botsing. Sindsdien ben ik toe- gerust met een incomplete cervicale dwarslaesie op niveau C 2-3, dat is heel hoog in de nek. Vier weken heb ik op de intensive care gelegen. In het begin kon ik mijn armen en mijn benen helemaal niet bewegen, ik kon niks. Omdat ik nog aan de beademing lag, kon ik zelfs niet spreken. Ik communiceerde door met mijn ogen te knipperen. Eén keer knipperen was ja, twee keer knipperen was nee. Dat kostte veel energie, dat was heel moeizaam. Ik ben wel altijd bij bewustzijn geweest. Ook toen ik daar in dat wrak zat en de brandweer en de ambulance kwamen, al viel ik wel telkens even weg. Maar hoe erg het was, wat een dwarslaesie was, dat ontging mij op dat moment. Mijn vrouw is na een paar dagen met een neurochirurg gaan praten en die zei: ‘Zoals uw man nu ligt, zo zal hij er de rest van zijn leven bij liggen.’ In het begin had ik een tracheotomie, een kunstmatige opening in de luchtpijp om te ademen. Na een week of vier hebben ze dat gat dichtgemaakt. Dat was een eis om naar het revalidatiecentrum te kunnen gaan. Toen kon ik gelukkig weer praten. Voor de kwaliteit van leven was dat een hele vooruitgang. Ik heb wel een verminderde longcapaciteit, omdat bepaalde ademhalingsspieren niet meer goed werken. LopenNa vier weken ging ik naar Hoensbroek, naar het revalidatiecentrum. Dat is de beste plaats geweest waar ik ooit terecht had kunnen komen. Ze zijn daar enorm gespecialiseerd in dwarslaesies. De eerste dag hadden we een intakegesprek bij dokter Pons. Die vroeg mij wat ik verwachtte van de behandeling. ‘Algeheel herstel,’ was mijn antwoord. Dan moet je je even voorstellen hoe ik er bij lag. Ik kon niks. Ik kon net vier dagen een beetje praten. Algeheel herstel! Dokter Pons dacht dat er een gek was binnengekomen, dus die zei: ‘Gaat u maar naar uw kamer, morgen zetten we het gesprek voort.’ Die eerste nacht daar was een verschrikking. Op de intensive care hoef je maar met je ogen te knipperen of er staat iemand naast je. In een revalidatiecentrum heb je ‘s nachts twee verpleegkundigen op 24 patiënten. Ik kon wel op een knop drukken, door met mijn hoofd hard op mijn kussen te drukken, maar dan duurde het nog wel even voordat er iemand kwam kijken. Ik ben daar volstrekt in paniek geraakt. Dat was heel erg, die eerste nacht. Maar goed, ik heb het overleefd en de andere ochtend ging ik weer naar dokter Pons. Die zei: ‘Meneer Koevoets, ik herhaal de vraag, wat verwacht u.’ En ik zei opnieuw: ‘Algeheel herstel, dokter. Ik ga hier lopend weg. ’ Dat is nu dertien jaar geleden. Ik kom elk jaar op controle en die dokter begint er steevast weer over. Want wat is het geval, na twee jaar ging ik daar daadwerkelijk lopend weg. Ik kon toen 60 meter lopen, met elleboogkrukken of met een rollator. Dat voelde voor mij als een marathon. Er moest wel iemand bij zijn, voor als ik om zou vallen. Maar ik was wel heel trots op die 60 meter. Die 60 meter lopen heb ik thuis met oefenen, oefenen en nog eens oefenen opgevoerd tot maximaal 380 meter in een half uur. Ik ging er helemaal voor. Ik oefende een maand om het van 360 meter op te kunnen schroeven tot 380 meter. Inmiddels ben ik al weer jaren aan het werk en is het oefenen voor die afstanden er bij ingeschoten. Ik heb het daar uitgebreid over gehad met de revalidatiearts. Die zei terecht: ‘Koevoets, wat bereik je nou helemaal met die 380 meter. Op zich is het mooi natuurlijk, maar je bent beter af als je je energie in je werk steekt.’ Hij had gelijk. Dus sindsdien leg ik daar de prioriteit. Even terug naar het begin. Ik lag op bed en ik wist nog steeds niet wat een dwarslaesie was. Ik kreeg ook geen prognose. In het begin stop je dat ook weg. Je beseft dat de klap te groot zou zijn als je dat precies weet. Nu reed daar in het revalidatiecentrum een jongen rond van een jaar of 16, totaal verlamd, die gebruikte kinbesturing. Hij kwam op een middag bij mijn bed staan en heeft me precies uitgelegd wat een dwarslaesie is. Dat mannetje was heel levenslustig, heel opgewekt. Dat was een voorbeeld van moed en doorzettingsvermogen. Bovendien had ik aan het personeel gevraagd hoe mensen met een dwarslaesie uit het revalidatiecentrum kwamen. Zij vertelden mij dat de meeste mensen uit de revalidatie kwamen in een rolstoel. Eén man had het centrum verlaten op een elektrisch aangedreven bed. Op dat moment was het voor mij eigenlijk al voldoende om te weten dat ik ooit dit centrum zou verlaten, en als ik geluk had in een rolstoel. Als je op zo’n moment te veel over de toekomst denkt, word je eigenlijk overbezorgd. Gaat het allemaal wel? Hoe zal dat zijn? Je ziet het misschien te somber allemaal. Mijn vrouw zei: ‘Komt tijd, komt raad. Maak je maar niet teveel zorgen over vijf jaar, wie dan leeft wie dan zorgt.’ Wijze raad. In het revalidatiecentrum heb je al je energie nodig om het programma te volgen. Na twee jaar kreeg ik van mijn fysiotherapeut Math Buck het com pliment dat ik nog nooit een minuut therapie had gemist. Die jonge galoppers, als die zagen dat het buiten mooi weer was, dan gingen ze daar een peukje staan roken. Ik niet. Ik wilde therapie, therapie, therapie. Naar buitenIk woonde destijds nog in een tussenwoning. Dat huis was niet aan te passen, dus een deel van mijn energie moest ik steken in een nieuwe woning. Ik heb het voordeel van een uitgebreide vrienden- en kennissenkring. Ook mensen in de gemeenteraad, een wethouder, die hebben heel veel medewerking verleend. Daardoor kon ik gaan bouwen in mijn vertrouwde omgeving, in de wijk waar ik al twintig jaar woonde. Want je bent nogal een aparte in zo’n rolstoel. En als je dan nog eens in een nieuwe leefomgeving opnieuw moet beginnen, dan is dat een dubbele handicap. Na een week of zes revalidatie ging ik op proef voor het eerst een zondag naar huis. Als je dan met de auto aankomt en de hele wijk weet dat je komt, dan zie je en voel je links en rechts de gordijntjes opzij geschoven worden. Toen heb ik tegen mijn kinderen gezegd: ‘Rij me maar met die rolstoel door de straten zodat iedereen mij kan zien.’ Dat is een stap die je bewust moet zetten. Als je je schaamt voor je beperkingen of je wilt dat wegstoppen, dan kun je bij thuiskomst onmiddellijk naar binnen, onder de bank gaan zitten. Maar ik heb toen de keuze gemaakt: nee, ik ga naar buiten, ik laat mij zien. Dat is wel even een moeilijke stap, maar die kun je maar beter gelijk zetten dan dat je zegt: ik doe het volgende week. Want volgende week is er weer een smoes en de week daarna weer. De eerste zaterdag dat ik weer thuis was zei ik tegen mijn kinderen: ‘We gaan de stad in.’ Dus hup, zij duwen. Op een terrasje bestelde ik een Palm, met een rietje. Dan word je bekeken alsof je een aap bent. Toch was het voor mij een bewuste keuze om daar zo te gaan zitten. Je realiseert je: als ik dat niet doe, dan heb ik geen leven meer. Er groeit een sterke band tussen mensen in zo’n revalidatiecentrum. Het was enorm zwaar, maar het was ook een ontzettend leuke en gezellige tijd. Door die gezamenlijke ellende, door dat verdriet en die pijn heen hebben we zo veel plezier gehad, dat laat zich moeilijk verwoorden. Dat moet je meegemaakt hebben, gevoeld hebben. Daar heb ik ook het belang geleerd van humor, om je beperkingen te relativeren. Ik heb nog steeds contact met Math Buck. Twee, drie keer per jaar komt hij hier naar toe en laatst zijn we bij hem geweest, in Beek. In de 29 jaar dat hij in de revalidatie werkt heeft hij heel veel mensen de revue zien passeren, maar mijn vrouw en ik zijn de enigen met wie hij zo’n contact onderhoudt. Ik vind dat heel waardevol. Hij is toch degene geweest die door zijn specifieke manier van aanpakken - de PNF-methode - mij aan het lopen gekregen heeft, en beweging heeft gekregen in mijn armen. In het begin deed het niks. Zes maanden hebben we doorgewerkt, ogenschijnlijk zonder resultaat. Ik weet nog goed dat na die zes maanden ineens een klein beetje gevoel terug kwam. Dat is een emotioneel moment, niet alleen voor mij, ook Math was er helemaal vol van. OmslagpuntAlles bij elkaar ben ik bijna twee jaar in revalidatie geweest. Dat is lang. Je kunt in het revalidatiecentrum blijven zolang er progressie is. Als er stilstand is, wordt de behandeling beëindigd. Dus voor mij was het een schok toen ik na twee jaar weg moest. Dan word je er mee geconfronteerd: dit is het dan. Tenminste, dat denk je. In de praktijk kun je ook thuis nog enorm vooruit gaan. Je wordt vooral steeds handiger om met je beperkingen om te gaan. Terug naar huis was een enorm omslagpunt. In de woonkamer stond een bed en twee rolstoelen, een vervelende toestand. Bij alle deuren waren dorpeltjes. Er waren toen wel bouwplannen. Ik kwam thuis in juni 1991 en toen was men hier al aan het bouwen. Maar die eerste maanden, dan is het ook veel denken, denken, denken over die bouw. Ook over de financiën, je ligt ‘s nachts te bedenken hoe het allemaal moet en kan. En ik kan ‘s nachts niets opschrijven, dus ik wilde ‘s morgens direct opstaan, wassen, aankleden, naar de bouw met de aannemer praten. Toen we in augustus konden verhuizen, ging er een nieuwe wereld voor me open. Dat was echt een nieuw begin. Tot die tijd had ik een urine opvangsysteem. Een soort condoom met een slang naar een opvangzak aan je been. Maar ik had wel het idee dat ik mijn blaas zou kunnen beheersen. Dus toen we hier eenmaal woonden en ik ook zelf naar het toilet kon, toen heb ik onmiddellijk gezegd dat ik wilde gaan trainen om normaal te plassen. Dat is me ook gelukt. Dit soort dingen maakt heel veel uit voor je kwaliteit van leven. Daardoor kon ik blijven lachen. Al die tijd, vanaf het moment dat ik het ongeval had ging alles crescendo, steeds een beetje beter. Doordat er nog kleine restverbindingen zijn in mijn ruggenmerg, heeft het voor mij zin om te oefenen. Dat zet ik dan wel eens af tegen iemand die een complete dwarslaesie heeft. Die zou net zo veel energie kunnen steken in zijn behandeling als ik, maar geen millimeter verder komen. Dus ik ben Onze Lieve Heer ook nog dankbaar dat dit mij zo gegeven is. Bovendien, vergelijk het eens met mensen - en die vrienden en kennissen heb ik ook - die een progressieve spierziekte hebben zoals ALS of MS, waarbij het telkens slechter gaat. Probeer dan maar eens te blijven lachen... . Ik vond het heel erg dat ik na het ongeluk niet meer trompet kon spelen. Te weinig kracht, te weinig lucht. Ik ben wel teruggegaan naar de muziekschool, daar heb ik leren tuba blazen. Dat is een iets gemakkelijker instrument. Ik heb een diploma gehaald en zelfs nog een tijdje meegespeeld met de harmonie. Maar als je op oudere leeftijd muziek gaat maken moet je eigenlijk elke dag een half uur oefenen om je embouchure, je lipspanning op peil te houden. Ik was voorzitter geworden van het platform gehandicapten hier in Weert en daar was ik soms veertig uur in de week mee bezig. Als ik dan zo’n hele dag en avond op pad was geweest, dan had ik ‘s avonds geen energie meer. En als je dan vijf dagen niet geblazen hebt, dan kun je bijna weer van voren af aan beginnen. Dus daar ben ik mee gestopt. Dat vind ik tot op de dag van vandaag heel jammer. Niet rijpIn de zomer van 1991, toen ik terugkwam van Hoensbroek, zeiden mijn vrienden en collega’s, wetende hoe belangrijk werk voor me was: ‘Jij komt drie middagen in de week werken.’ Dat was op een computer, opleidingsprogramma’s maken. Nu was drie middagen in de week voor mij op dat moment te veel. Bovendien, tot dan toe was ik in het leger troupier geweest. Ik werkte met mensen. Nu moest ik achter een computer zitten. Dat werd niks. Ik wilde wel in het leger blijven werken. Ik informeerde of ik zitting kon nemen in de commissie die adviseert over de aanstelling van onderofficieren in opleiding. In uniform, in mijn rolstoel. Daar heeft men vrij lang, wel zes maanden, over nagedacht. Den Haag moest beslissen. Uiteindelijk kreeg ik te horen dat het om praktische redenen niet kon. De commissie zetelde op een ontoegankelijke bovenverdieping en bovendien zou ik te veel hulp nodig hebben. Mijn wereld stortte in. Ik had me daar zo in vastgebeten, het leek me zo iets wat bij me past. De redenen die men aandroeg waren flauwekul. De ware reden was dat ze het in 1991 niet zagen zitten om een vent zo lam als een deur in die commissie te hebben. Maar dat durfden ze niet te zeggen. De organisatie was er toen niet rijp voor. Je moet leren omgaan met teleurstellingen. In dienst noemen we dat de ‘mental training’, hard zijn, er overheen stappen en een nieuwe uitdaging zoeken. Ik had toen nog wel de muziek en het bestuur van de harmonie. Maar ik was ook wel toe aan een beetje rust. Ik dacht, ik ga mijn tijd indelen met leuke dingen. Lezen, muziek, ik ben een enorme wijnliefhebber, computeren, ik verzin wel wat. En elke dag oefenen, oefenen, oefenen. Dat moest gewoon doorgaan. Als je een paar dagen niet oefent, zak je direct weg. PlatformIn 1992 kwam ik in de stad twee dames tegen. Ze waren bezig met het opzetten van het Platform Gehandicapten Weert (PGW), vooruitlopend op de invoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Toen ze me vroegen om daar aan mee te werken heb ik eerst ‘nee’ gezegd. Maar tegelijkertijd voelde ik me ook een beetje verplicht. Ik had het goed. Defensie zorgt goed voor mensen die ‘in en door de dienst’ zijn geïnvalideerd, voor hen hebben ze een buitengewone zorgplicht. Uit ideële overwegingen dacht ik om het voor mijn broeders en zusters gehandicapten ook wat beter te kunnen maken. Met z’n vijven hebben we uiteindelijk het platform opgezet. Daar hebben we heel veel mee bereikt in een aantal jaren. Ik was medevoorzitter, samen met één van de dames, mevrouw Weijers. We deden alles samen, dat was heel prettig. Ook regionaal, in de provincie en zelfs landelijk waren we actief. Vanuit het niets hebben we het platform opgebouwd tot een club met een goed bestuur, met een drietal werkgroepen, met een schitterende eigen ruimte waar we kantoor voerden, met een betaald administratief medewerkster die ons een dag in de week terzijde stond, met een goede subsidie, met een achterban van 550 gehandicapten. Ik geloofde in dat platform, ik was er heilig van overtuigd dat het iets zou worden. Achteraf ben ik toch teleurgesteld geraakt. Niet alleen in de gemeente, ook in de doelgroep gehandicapten. Er was hier in de gemeente een enorm tekort in de begroting. Toen werden gelden uit de WVG overgeheveld naar de algemene middelen. We kwamen daar toevallig achter doordat we naar de commissievergadering gingen. Het voorstel was dat er eenmalig 460.000 gulden overgeheveld zou worden. Maar het jaar daarop ging het precies hetzelfde, opnieuw eenmalig. Dus toen gingen wij met die wethouder praten, ik was echt furieus. Toen zei die dame: ‘In de politiek is het zo dat eenmalig wil zeggen eenmalig structureel.’ Ik kon daar niet mee praten, ik kon daar niet tegen. De ambtenaren, daar kregen we alle medewerking van, voor hen alle lof. Maar de wethouder en de politieke partijen in de raad, daar kun je alleen mee praten als ze in de oppositie zitten. Dan hebben ze alles over voor gehandicapten. Totdat ze in het college zitten, dan hebben ze door voortschrijdend inzicht ineens een heel ander beeld. Gehandicapten noem ik soms de club van de drie zetjes: zaniken, zeuren en zielig doen. Wat ik wilde, en dat zijn afkortingen van de dienst, is die club ‘zacv’ maken. Dat is ‘zelfstandig’, ‘actief’, ‘creatief’ en ‘verantwoordelijk en bewust’. Dat is me niet gelukt. Keer op keer beginnen mensen over hun eigen ellende, hun eigen beperkingen. Daar hebben ze kennelijk behoefte aan. Maar als er dan ‘s avonds in de gemeenteraad een belangrijk punt voor gehandicapten werd besproken, dan liet ik de secretaris alle 550 leden aanschrijven met een oproep om er bij te zijn en dan kwamen er drie. Er is niets vermoeiender dan frustratie. Van frustratie loop je leeg. Van hard werken krijg je nieuwe energie. Dan boek je resultaat. Maar hier kon ik niets van maken. Later heb ik ingezien dat je mensen moet respecteren. Een gehandicapte kan alles. Maar als mensen het aanbod krijgen om actief te worden, om allerlei dingen te doen, maar ze grijpen de kans niet, ze blijven thuis zitten met de armen over elkaar, dan is dat hun keuze. Veel gehandicapten zijn gaan hangen in hun ellende. Doordat ik in dienst heb gezeten, heb ik discipline, dril, doorzettingsvermogen ingegoten gekregen. Ik heb een enorme humor, wilskracht, mentale hardheid. Dat helpt me om me over de beperkingen heen te zetten. BetrokkenheidIn 1998 heb ik opnieuw aan Defensie gevraagd of er werk voor me was. Inmiddels zat hier op de kazerne een commandant die ik nog kende uit mijn tijd als luitenant. Ruud Vermeulen, hij is nu generaal. Vermeulen zei: ‘We kunnen je wel gebruiken in de selectiecommissie, maar dan moet je laten zien dat je het net zo goed kunt als een niet-invalide.’ Daar had hij helemaal gelijk in. Als ze het zouden doen omdat ze mij kenden, om mij van de straat te houden, dat werkt niet, dan was ik er al na twee maanden mee gestopt. Inhoudelijk wist ik dat ik het kon. Maar of ik het in de praktijk echt zou kunnen opbrengen, dat was voor mij een open vraag. Je moet gesprekken voeren, goed bij de les blijven en daarnaast aantekeningen maken. Ik ben niet snel met aantekeningen maken, ik heb ook een hersenkneuzing gehad. Ik ben daar toen op proef begonnen. Tot ieders verbazing, niet in de laatste plaats mijn eigen verbazing, ging me dat heel goed af. Zelfs de voorzitter moest toegeven dat ik het perfect deed. Toch vond hij dat het niet kon, ik in die commissie. Want, zei hij, het zou wel eens kandidaten kunnen afschrikken als ze daar geconfronteerd worden met iemand in een rolstoel. Eigenlijk hetzelfde als destijds in 1991, maar hij zei het tenminste eerlijk. Hij bracht mij zelf ook aan het twijfelen. Ik zou het heel vervelend vinden als er een kandidaat die onderofficier wil worden, door het feit dat ik daar in een rolstoel zit verkeerde antwoorden zou gaan geven en daardoor afgetest zou worden. Dat gun ik niemand. Dus ik zei tegen mijn vrouw: ‘Ik heb laten zien dat ik het kan, maar ik vind toch dat ik het niet moet doen.’ Toen zei mijn vrouw: ‘Zijn ze nou helemaal gek. Het leger is een geweldsorganisatie. Ze worden tegenwoordig de hele wereld overgestuurd en er komen er terug met functiebeperkingen. Als je daar bij de selectie al van schrikt, dan hoor je niet in het leger thuis.’ Daar moest ik mijn vrouw gelijk in geven. Uiteindelijk heeft - toen nog - kolonel Vermeulen de knoop doorgehakt. Hij sprak de historische woorden: ‘We zijn bij Defensie toe aan nieuw denken. We moeten al in de opleiding laten zien dat je kiest voor een geweldsorganisatie. Maar tegelijkertijd laten we ook zien: als je iets overkomt, dan laten we je niet barsten.’ Die betrokkenheid van de werkgever is heel belangrijk. Ik heb dat al gezien in het revalidatiecentrum. Bij het gros van de mensen komt de baas een keer op bezoek en nog een keer, soms een derde keer, maar daarna zie je hem niet meer. Bij Defensie gaat dat anders. Ze houden contact. Ook de verstrekking van materiële zaken als een rolstoel of een aangepaste bureaustoel, daar ben ik honderd procent tevreden over. Ik ben ook zelf al die jaren naar de kazerne toe blijven gaan. Ik realiseer me dat die band met de werkgever uniek is. Op niveauIk werk al vier jaar op contractbasis, telkens voor een jaar. Contractueel moet ik veertig uur in de maand werken. In de praktijk is het meer. Ik doe twee dingen. Ik zit voor gemiddeld drie dagen in de maand, op woensdag, in uniform in de commissie om mensen te selecteren en te beoordelen of ze geschikt zijn om onderofficier te worden. Dat is op de kazerne. Thuis bereid ik me voor op die gesprekken. Vanuit Amsterdam stuurt men mij de persoonsgegevens op, de dossiers. Aan de hand daarvan vorm ik me een beeld over de man of de vrouw en ga ik dieper in op vragen die belangrijk zijn: wat is zijn beroepsbeeld, zijn motivatie, zijn kennis op het gebied van leiding geven, zijn opleiding, enzovoorts. Na een jaar heeft men aan mij gevraagd of ik ook exitgesprekken wilde voeren met mensen die weggaan. Ongeveer 25% van de mensen die in opleiding zijn, stopt ermee. Men wilde weten waarom, want daar kun je als organisatie lessen uit trekken. Dat doe ik dus ook al drie jaar, met een collega samen. Ik voer bijna altijd het gesprek en hij, omdat hij sneller kan schrijven, maakt het verslag. Door het stellen van allerlei slimme vragen moeten we hun waarheid zien te achterhalen, de ervaringen van die mensen in de opleiding. Die gesprekken zijn op maandag of vrijdag, soms acht of twaalf in de week, soms maar één of twee. Ik moet natuurlijk ook op de hoogte blijven, de vakliteratuur bijhouden, alle mogelijkheden om kazernes en eenheden te bezoeken moet ik aangrijpen. Er is sinds het vallen van de Muur heel veel veranderd bij Defensie. Ik kan niet meer aankomen met mijn kennis van dertien jaar geleden. Het werk geeft mij een goed gevoel en heel veel positieve energie. Qua hoeveelheid is het voor mij het maximaal haalbare. Naast dit werk moet ik ook veel rusten en oefenen. En ik doe nog andere dingen. Ik zit in de cliëntenraad van een ziekenhuis, ik ben gevraagd voor de cliëntenraad van het militair revalidatiecentrum in Doorn en ik zit in het bestuur van een genootschap van wijnvrienden met elke maand een wijnproeverij. En dan de gewone sociale contacten. Alles moet doorgaan. Als je in een rolstoel zit, doe je het toch in een trager tempo dan een ander. Nee, dit is prima zo, voor mij is dit voldoende belasting. Ik streef naar evenwicht tussen verschillende activiteiten en op dit moment is het mooi in balans. Het werk is absoluut op mijn niveau. Het gros van de mensen in de commissie is van mijn kaliber, mijn achtergrond. De betaling is er ook naar. In het begin wilde ik het zo graag doen dat ik ook wel voor niets aan de slag zou zijn gegaan. Maar dat vond men ook wat overdreven, dus toen kreeg ik een onkostenvergoeding. Uiteindelijk bleek dat ik gewoon betaald zou kunnen worden, zonder dat gekort werd op mijn invaliditeitspensioen, dus nu krijg ik gewoon betaald. Dat geld drukt een waardering uit. Maar het simpele visitekaartje dat hier ligt, dat drukt voor mij evenveel waardering uit. En als ik hier door de stad rijd en ik kom jongens tegen in burger die mij kennen en mij gedag zeggen, dat is ook waardering. Of als ik op de kazerne kom en iedereen mij groet, dat is ook waardering. Want dat geld is eigenlijk het allerlaatste waar ik het voor doe. Er zijn zo veel andere facetten waardoor ik een goed gevoel heb over wat ik doe. Ergens bij horen. Echt bezig zijn met zinvol werk. Waardering krijgen. Collega’s die tevreden zijn. En vooral dat je zelf vindt dat je nog iets voorstelt. Dat je nog meetelt. Dat je je gewaardeerd voelt. Mijn werkgever is ook tevreden. Anders had hij allang gezegd: we stoppen er maar mee. Ik heb geen gebruik gemaakt van regelingen, of van reïntegratietrajecten. Dat is absoluut niet van toepassing. De commissie zit nu op de begane grond, dus de werkplek hoefde niet aangepast te worden. Er zijn overal hellingbaantjes, dus ik kan overal naar binnen. Maar ik kan niet overal naar boven. Het komt hooguit twee keer per jaar voor dat ik een vergadering boven heb. Dan zijn er altijd wel een aantal collega’s die zeggen: ‘Kom op, we sleuren hem met rolstoel en al de trap op.’ Het is dat ik voel dat ik wat heb, want ik heb altijd en overal pijn. Maar eigenlijk zie ik geen verschil tussen mij en anderen in de dienst. Ik ga ook altijd met mijn vrouw naar recepties als ze mij uitnodigen. Naar Assen, Amsterdam, Den Haag, tot in Duitsland toe. Ik vind: die mensen hebben allemaal de moeite genomen om mij te bezoeken en de liefde kan niet van één kant komen. SmoelSteun van de mensen om je heen is heel belangrijk, van mijn vrouw, van mijn kinderen, familie, alle vrienden en bekenden. Zij moeten het er mee eens zijn dat je aan het werk gaat. Je moet voelen dat ze achter je staan. Mensen die je niet kennen zullen misschien denken: ‘Moet dat nou, hij aan het werk.’ Maar door te laten zien dat je productief bent, kun je dat in de kiem smoren. Ik zit daar niet om de boel op te vrolijken. Ik realiseer me dat ik na het ongeluk de keuze had: of proberen zo goed mogelijk verder te leven of in de ellende gaan hangen. Van die keuze ben ik me heel terdege bewust geweest, al toen ik in Arnhem in het ziekenhuis lag. Ik zag dat vrienden en familieleden soms met het lood in de schoenen naar mij toe kwamen. Van begin af aan heb ik me over mijn ellende heen gezet, ook om het voor hen gemakkelijker te maken om mij te blijven bezoeken. Dan kwamen ze de eerste keer schoorvoetend, maar bleek het reuze mee te vallen. Ze zeiden: ‘Koevoets ligt er wel ernstig bij, maar je kunt gewoon met hem praten en grappen maken.’ Dus dan bleven ze komen. Als ik daar als een zielig hoopje was gaan liggen en was gaan klagen hoe erg het allemaal was, dan komt er op den duur niemand meer. Veel mensen met beperkingen hebben last van aangeleerde hulpeloosheid. Ze zijn te veel afhankelijk geworden van hulp. Ik ben altijd aan het denken hoe ik zelf mijn situatie kan verbeteren, hoe ik minder afhankelijk kan zijn en nog meer zelfredzaam. Bijvoorbeeld als ik in een stad als Den Haag ben, houd ik altijd in de gaten of er plekken zijn waar ik kan plassen. Want de toiletten bij terrasjes, die zijn bijna nooit toegankelijk. Dus als ik langs een doodlopen straatje kom waar ik zo nodig even kan plassen, dan onthoud ik dat. Dat noemen we in de dienst ‘smoel houden op het terrein’. Planningsvaardigheden, uitvoeringsvaardigheden, evaluatieve vaardigheden, communicatieve vaardigheden, die heb ik allemaal geleerd in de opleiding. Wat dat betreft heb ik in dienst ontzettend veel zaken geleerd die ik goed kan gebruiken in het leven met beperkingen. Sociale contacten bepalen voor mij de kwaliteit van het leven. Ik wil echt benadrukken dat ik het alleen maar heb kunnen redden dankzij de hulp en steun van velen. Maar ook gezondheid is belangrijk. Ik heb wel functiebeperkingen, maar ik voel me ontzettend gezond. En genieten van dingen, proberen er intens van te genieten. En humor. Met humor kun je de zaak relativeren. Als je merkt dat mensen schroom hebben om met jou te communiceren, dan kun je ze vaak met een grap over het dooie punt heen helpen. Er voor gaan, dat is het belangrijkste. Je kunt zo veel, ook met een handicap. |