MYRTHE BUIJS

Juist mijn ziektegeschiedenis heeft alles met mijn ontwikkeling als mens en met mijn ontwikkeling in mijn werk te maken...Myrthe Buijs

 

Myrthe Buijs (51) heeft een eigen praktijk als Speyertherapeut in Weert.

Ik kom uit een gezin met vijf kinderen. Ik ben de middelste. Mijn vader was beroepsmilitair, al had hij eigenlijk heel pacifistische ideeën. Zeker na zijn tijd in Indië, vlak na de oorlog. Mijn moeder was mijn hele jeugd depressief. Dat werd zo niet genoemd. Ze was regelmatig overspannen. Dan had 24 De rode loper ze weer een slaapkuur, lag ze in het ziekenhuis en hadden we weer een gezinsverzorgster in huis. Als mijn moeder er wel was, straalde ze weinig levenslust uit. Eigenlijk kon mijn moeder het gezin niet aan. Ze heeft wel goed voor ons gezorgd, was maatschappelijk betrokken, religieus en verdraagzaam. Het was een fantastisch mens, dat kan ik inmiddels zien en ook voelen. Ik heb ook best veel van haar meegekregen. Maar in mijn jeugd kon ik dat niet zo voelen. Ik heb als kind het gevoel gehad dat ik niet gewenst was. Ik heb me zelfs schuldig gevoeld over mijn bestaan.

Betekenis

Mijn leven en mijn werk, dat zijn eigenlijk geen gescheiden verhalen. Dat is heel erg met elkaar verweven. Ik denk dat niets in je leven zomaar zo loopt. Alles heeft een bedoeling, een betekenis.

Toen ik 17 was, wist ik niet hoe gauw ik het huis uit moest om op eigen benen te staan, om mijn kindertijd te ontvluchten. Wij mochten allemaal studeren, dat vonden mijn ouders heel belangrijk. Ik wilde na de MMS eigenlijk naar de sociale academie. Maar daar moest je 18 voor zijn en ik wilde per se niet nog een jaar thuis wonen. De gemakkelijkste manier om de deur uit te komen was de verpleging in gaan. Daar hoefde je maar 17,5 jaar voor te zijn.

In die tijd zette ik me het meeste af tegen mijn vader. Hij kon enorm uitvallen, enorm driftig worden. Ik had toen het idee dat daar mijn problemen vandaan kwamen, niet van mijn depressieve moeder. Achteraf denk ik dat ik juist daarom een man wilde die het tegenovergestelde was van mijn vader. Mijn fantasie was om met een kunstenaar te trouwen, die pijp rookte en een baard had. In het laatste jaar van de middelbare school werd Peter, mijn eerste man, verliefd op mij. Peter was gitarist. Hij schreef hele mooie liedjes voor mij. Hij liet zijn baard staan en hij ging ook pijp roken. Dat iemand zo veel moeite voor mij deed, betekende veel voor mij. Ik was gelukkig met hem en ik had zo veel haast om volwassen te worden, dat we trouwden toen we 20 waren. Peter studeerde en ik zorgde grotendeels voor het inkomen.

Toen ik afgestudeerd was, ben ik als verpleegkundige direct de wijk in gegaan. Ik was 21. Dat vak heb ik echt met hart en ziel gedaan, ik heb het heerlijk gevonden. Ik had een heel zelfstandige positie. Aan de collega’s had ik niet zo veel. Dat waren voor mijn gevoel heel andere vrouwen dan ik, ouder, vaak alleenstaand.

Ik wilde ontzettend graag kinderen. Achteraf heb ik gevoeld wat die wens werkelijk betekende, namelijk dat ik bestaansrecht nodig had. Ik kreeg bestaansrecht door mijn kinderen. Ik heb echt de jaren zitten tellen totdat Peter afgestudeerd was en genoeg verdiende zodat ik eindelijk, eindelijk zwanger kon raken. Op die leeftijd is een jaar eindeloos. Op mijn 22e werd ik zwanger en toen ik 23 was werd Lidewij geboren. Later kwamen Bregje en Jasper er bij. Mijn kinderen hebben altijd voorop gestaan. Ik heb ontzettend van ze genoten, en dat doe ik nog steeds.

Peter was gitaarleraar, hij werkte ‘s middags en ‘s avonds, dus ik kon ‘s morgens blijven werken. Totdat hij in militaire dienst moest. Toen heb ik mijn baan opgezegd. Na veertien dagen stond Peter weer voor mijn neus, alsnog afgekeurd. Maar omdat ik inmiddels zwanger was van de tweede kon ik niet opnieuw solliciteren.

Rode draad

Eigenlijk loopt mijn ziektegeschiedenis als een rode draad door mijn leven. Juist mijn ziektegeschiedenis heeft alles met mijn ontwikkeling als mens en met mijn ontwikkeling in mijn werk te maken. Dat is onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Toen Jasper een jaar was - zelf was ik toen 27 - begon het weer te kriebelen bij mij. Maar doordat ik inmiddels ook rugklachten had kon ik niet terug de verpleging in. Toen dacht ik: waarom ga ik niet alsnog naar de sociale academie. Op dat moment had ik al een relatie met Frans en niet meer met Peter. Inmiddels zijn Frans en ik getrouwd. Zijn zoon, Frodo is de enige die nog thuis, bij ons, woont. Dus ik ben ook tweede moeder van een vierde kind. Ik geniet nog altijd ontzettend van Frans. Hij is er altijd voor me. Na 23 jaar zijn we allebei elke ochtend blij dat we naast elkaar wakker worden. Ik ken niemand met wie ik zou willen ruilen.

Toen ik dertig was zat ik in het derde jaar van de sociale academie en had ik voor de tweede keer een knobbel in mijn borst. In september voelde ik hem zitten. Ik was net aan het schooljaar begonnen, ik dacht: ach, volgende zomer in de vakantie laat ik hem er wel uithalen. Maar in maart, rond mijn verjaardag, had ik ineens het gevoel dat het niet klopte. Ik dacht: dat ding moet er nú uit. Ik ging naar de chirurg, die maakte zich niet zo’n zorgen gezien mijn leeftijd, maar als ik echt wilde dat die knobbel er nu uit ging, dan ging die er nu uit. Bleek het wel degelijk kanker te zijn. In die tijd had je geen keuze. Het werd een borstamputatie. De volgende dag kon ik al terecht, maar ik wilde nog wel drie dagen wachten, om even de tijd te hebben om dat voor mezelf te verwerken, om te rouwen, om stil te staan bij dat verlies, voor zover je jezelf dat toestaat in die situatie.

Ik ben van begin af aan doorgegaan met mijn leven. Ik heb mijn opleiding afgemaakt, ben aan het werk gegaan als maatschappelijk werker. Voor de operatie ging ik naar de sauna, naar blote stranden, dus dat deed ik na die tijd ook - ik vond het onzin om dat nu ineens niet meer te doen.

Ik dacht wel: ik heb een amputatie, ik ben bestraald, alles leuk en aardig, maar waarom heb ik eigenlijk kanker gekregen? Dat komt niet uit de lucht vallen. Ik dacht: daar moeten meer dingen aan vast zitten. Ik ben op zoek gegaan in het alternatieve circuit, ben een streng macrobiotisch dieet gaan volgen, me gaan verdiepen in religie en spiritualiteit. Ik wilde alle mogelijkheden aangrijpen om mezelf gezond te houden. Ik was jong, er waren drie kleine kinderen van mij afhankelijk en een vierde ook al een beetje. Die verantwoordelijkheid haalde een enorme kracht bij me naar boven.

En toen kreeg ik een knobbel in mijn andere borst. Toen dacht ik: help! Ik dacht: meid, dit red je niet met diëten, er is iets anders nodig. Ik heb hier geen bewijzen voor, het is mijn beleving van de situatie. Ik ben niet naar een arts gegaan. Ik dacht: als ik hier mee naar een arts ga loop ik straks zonder borsten rond. Daar had ik geen zin in. Ik dacht: ik ga eerst wat anders doen. Ik dacht: ik leef gezond, ik eet goed, ik rook niet, als ik dan nog knobbels loop te vormen, dan klopt er iets niet. Ik had mezelf al kapot geanalyseerd. Dat leer je wel op die opleiding maatschappelijk werk, naar jezelf kijken en hoe je situatie er uitziet. Maar met analyseren kwam ik er ook niet. Er moest iets in mijn onderbewustzijn zitten. Je bent lichaam én geest. Je weet nooit wat het lichamelijke stuk is en wat het psychische stuk is. In feite zijn die twee helemaal niet zo gescheiden als wij in onze cultuur denken of geloven.

In die tijd ben ik, via mijn moeder, in aanraking gekomen met de Speyertherapie. In die therapie ga je terug naar de eerste jaren van je leven, naar je geboorte en naar de tijd voor je geboorte. Terug naar de tijd waarin je ratio nog niet ontwikkeld is, waarin je alleen je emoties en je lijf tot je beschikking hebt. Het is de tijd waarin je ouders het belangrijkste voor je zijn. Zij programmeren je als het ware.

Ik dacht: ik moet op zoek in mijn onderbewuste, om te weten te komen wat er met me aan de hand is. In die therapie kreeg ik een heleboel herinneringen terug over mijn vader, over zijn teleurstelling dat ik een meisje was, terwijl ik een zoon had moeten zijn. Ik kon dat verbinden met de borstkanker.

Ik heb heel veel gehad aan die therapie. Na de therapie kon ik veel beter de verantwoordelijkheid voor mijn eigen leven nemen, en vooral: de verantwoordelijkheid die niet bij mij lag bij een ander laten. De knobbels in mijn borst verdwenen ook. Ik kan dat niet bewijzen, want ik ben om te beginnen al niet naar een arts gegaan. Maar het is wat ik gevoeld heb. Ik ben opgehouden met extreme diëten en weer normaal gaan eten.

Ik was zo ondersteboven van wat die Speyertherapie bij mij teweeg had gebracht, dat ik besloot: dit is het werk dat ik wil doen. Dus ik ging de Speyeropleiding volgen. Die duurde twee jaar. Ik kon me dat permitteren omdat ik nog twintig uur werkte.

Na die opleiding werd het tijd om een praktijk te starten. Maar die kreeg ik niet van de grond. Ik kreeg intakes genoeg, maar niemand meldde zich na die intake ook echt voor de therapie aan. Ik denk dat je op een bepaald niveau signalen afgeeft dat daar niet de ruimte voor is. Die ruimte had ik niet naast mijn baan als maatschappelijk werker. Toen heb ik met Frans overlegd, hij werkte toen drie dagen en is een dag extra gaan werken, de kinderen waren inmiddels wat ouder, ik heb mijn baan opgezegd en vanaf dat moment ging mijn praktijk lopen.

Kern

Maar mijn kankerspook ging niet weg. Je vertrouwt je eigen lijf niet meer. Daarbij had ik veel rugklachten die nog steeds niet gediagnosticeerd waren, die vaker terugkwamen en langer aanhielden. Gewone pijnstillers werkten niet. Alleen met acupunctuur kon ik er weer even tegen. Ik werd knettergek van de pijn. De neurologen konden niets met mij beginnen. Ik ben zelfs in een pijnkliniek geweest, maar ook dat hielp niet. De pijn zat niet op één plek, maar versprong over mijn hele rug. Dan wordt er op een gegeven moment tegen je gezegd: ‘We kunnen niets constateren, dus het zal wel tussen je oren zitten. Je haalt teveel op je nek, kijk eens waar je mee bezig bent.’ De hele omgeving werkt daar aan mee. Als er geen diagnose is, als er geen plaatje op geplakt kan worden, dan moet het wel aan je leven liggen. Ik deed daar zelf ook hard aan mee, hoor. Je gaat jezelf ontzettend wantrouwen, je gaat je afvragen wat je verkeerd doet.

Ondertussen wist ik dat er iets niet klopte in mijn lijf, dat die pijn ergens vandaan moest komen. Ik was gelukkig in mijn relatie, ik had het met de kinderen fijn, ik had mijn eigen werk gecreëerd waar ik me heerlijk in voelde en toch bleef ik rugpijn houden. Ik dacht: meid, je moet er aan geloven, zoek nog eens een keer een therapeut op en ga zelf nog eens een keer op die bank liggen. Ik wist heel zeker: met mijn vader heb ik wel afgerekend, maar mijn moeder heb ik laten zitten. Dus het werd tijd om met mijn moeder aan de slag gegaan. Al tijdens het eerste gesprek zei ik tegen de therapeute dat ik geen geboortetherapie wilde doen. Dus eigenlijk gaf ik haar de sleutel al direct in handen. Er moesten dus geboorteoefeningen gedaan worden, dat snap je wel.

In die tweede therapie heb ik beseft hoe ongewenst ik mij gevoeld heb als kind. Mijn moeder zat in een situatie waarin ze het eigenlijk helemaal niet aan kon om nog een kind te krijgen. Dat gevoel er niet te mogen zijn heeft een enorme impact op mijn leven gehad. Ik voelde mij al schuldig dat ik leefde. Op dat moment had ik voor mijn gevoel de kern te pakken. Na die therapie heb ik mijn naam veranderd. Ik heb altijd Magda geheten, maar Magda had niet mogen leven, dus om alsnog te kiezen voor het leven moest ik een nieuwe naam hebben. Ik wist ook direct hoe ik moest gaan heten. Ik heb mijn dochters Myrthe willen noemen, maar dat wilde Peter nooit. Ineens wist ik waarom mijn kinderen zo niet mochten heten: die naam was voor mijzelf bedoeld.

Kiezen

Op de negende dag van de therapie, dus bijna op het eind van de eerste twee intensieve weken, kreeg ik een auto-ongeluk, ik knalde door de voorruit van mijn bus. Ik was bijna dood. Ik weet nog dat ik voelde, midden in die bijna-dood-ervaring: nee, ik mag nog niet weg, mijn kinderen hebben me nog nodig. Ik had gebroken ribben, een longperforatie, er zat allemaal glas in mijn nek dat ze er niet uit kregen. Daardoor ben ik er een hele tijd uit geweest. Ik heb er ook allerlei klachten aan overgehouden. Door een verlamde oogspier heb ik tijdenlang dubbel gezien. Mijn ribben groeiden wel weer aan elkaar, maar de gewrichten tussen die ribben waren verwrongen. Dus als ik in de lach schiet of als ik boos word, doet mij dat heel erg zeer. Dat is weer een drempel om me te uiten. Ik kon daardoor ook mijn werk als Speyertherapeut niet goed doen.

Om die ribben vast te laten zetten ging ik naar een thoraxchirurg. Die liet mij mijn t-shirt uittrekken en zag natuurlijk direct de borstamputatie. Dus die wilde eerst goed uitgezocht hebben of de klachten in mijn ribben wel echt van dat ongeluk kwamen, of dat er misschien toch nog sprake was van metastasen, uitzaaiingen van de kanker in mijn botten of in mijn lever. Hij zei: ‘Dat wil ik eerst weten, anders ga ik niet in jou snijden.’ Dat was dus een arts naar mijn hart, rechtstreeks en simpel. Intuïtief was ik er zeker van dat het door dat ongeluk kwam. Maar ik vond het prima dat hij bloed prikte, mijn leverfuncties controleerde en desnoods een echo van mijn lever zou maken.

Uit die echo bleek dat ik gigantische leverafwijkingen had. Het zag er uit als leverkanker, een hele kwab was aangetast. Maar ik had het gevoel dat dat niet kon. Mijn bloed was goed, ik voelde me goed. Een botscan leverde ook niets op. Uiteindelijk, na een maand hebben ze een leverpunctie gedaan en bleek ik een aangeboren leverafwijking te hebben en geen leverkanker. De leverafwijking is niet levensbedreigend. Maar ik begon toen wel het besef te krijgen dat ik zelf moest kiezen of ik wilde leven, dat ik me niet meer achter mijn kinderen kon verschuilen, dat ik niet langer alleen maar kon leven om voor hen te zorgen.

Intuïtie

Ik was inmiddels 42 toen ik een grote tumor aan mijn baarmoeder kreeg. Die groeide heel snel. In zes weken tijd leek ik wel half zwanger. Ook daar ben ik aan geopereerd, mijn baarmoeder is er uit gehaald. Een jaar later had ik huidkanker in het bestralingsgebied van de borstkanker. Een heel klein plekje, maar ik wist: dat moet weg. Alweer mijn intuïtie. Dat vind ik de rode draad in mijn leven, dat je je eigen intuïtie moet blijven volgen, moet blijven vertrouwen.

Mijn rugklachten bleven. Ze werden steeds uitgesprokener. Ik heb jaren rechtop zittend geslapen, omdat ik niet meer plat kon liggen van de pijn. Alle onderzoeken stuitten op mijn wervels af; er bleek steeds niets zichtbaar te zijn. Toen ik 45 was kon ik geen tien meter meer lopen, omdat mijn benen niet meer goed functioneerden. Ik kon niet meer in mijn bed liggen, ik kon niet meer met mijn rug tegen de leuning van een stoel zitten. De laatste jaren ging dat heel snel. Op een gegeven moment kon ik ook niet meer plassen. Toen ben ik naar mijn huisarts gegaan en heb gezegd: nu moet er iets gebeuren aan mijn rug.

Het ziekenhuis hier in Weert had toen net twee weken een MRI-scanner. Daar ging ik in en ik bleek een kanjer van een tumor te hebben in mijn ruggenmerg, vanaf mijn bilnaad tot tussen mijn schouderbladen. Dat geeft klachten over je hele rug, maar ook in allerlei gebieden die vanuit het ruggenmerg aangestuurd worden. De tumor was zo groot dat ik vrijwel een dwarslaesie had. Gelukkig was het geen metastase, want als dat zo was dan had ik hier nu niet meer gezeten. Het was een zeldzame tumor, die al ontstaat in je embryonale fase. Ik had er dus al mijn hele leven mee gelopen. Achteraf vond ik dat helemaal niet vreemd.

Ik ben toen geopereerd aan mijn rug. Een operatie van dertien uur. Een knap staaltje van die neurochirurg, een echt kunstwerk, echt helemaal fantastisch. Het vreemde is, op dat moment gaan er allerlei deuren voor je open. Ineens heb je een diagnose. Al die jaren dat ik zoveel pijn had dat ik me soms nauwelijks kon bewegen, denk je dat ik toen voor huishoudelijke hulp in aanmerking kwam of voor een rolstoel of voor andere voorzieningen? Welnee, want er hangt geen diagnose aan, dus zoek het zelf maar uit.

Buitenshuis gebruik ik een rolstoel, binnenshuis niet. Lopen doet nog steeds zeer. Ik heb nog altijd 24 uur per dag pijn, maar het is niet te vergelijken met voor die operatie. Het beheerst me niet meer.

Platform

Toen ik uit de revalidatie kwam, ben ik mee gaan werken in het lokale gehandicaptenplatform. Ik zag me, met mijn lijf, met mijn beperkingen, op dat moment niet direct therapie geven. Maar ik zag het ook niet zitten om helemaal niets te doen. Ik heb vooral in het begin met veel plezier voor dat platform gewerkt. Het heeft me in mijn verwerkingsproces erg geholpen. Maar ik voelde me er zo verantwoordelijk voor dat mijn leven al snel helemaal uit het platform begon te bestaan. Bovendien was het werk ook frustrerend. Ik had wel veel lol met mijn collega, de voorzitster van het platform. Zij is een goede vriendin van me geworden. Maar het politieke spel, het meepraten in gemeentelijke commissies, dat deed ik puur uit verantwoordelijkheidsgevoel. Eigenlijk vond ik het vreselijk.

In die tijd ben ik gaan solliciteren. Bij RIO’s als indicatiesteller, bij SPD‘s als consulent lichamelijk gehandicapten. Ik zou geknipt zijn voor dat werk. Ik heb een verpleegkundige achtergrond, heb een opleiding maatschappelijk werk achter de rug en ik heb mijn ervaringskennis. Maar daar zitten ze helemaal niet op te wachten. Ik heb nooit iets op die sollicitaties gehoord, niet eens een uitnodiging gekregen voor een gesprek. Achteraf ben ik daar niet rouwig om, hoor. Het zou mijn plek niet geweest zijn. Ik zou ook daar heel erg gefrustreerd geraakt zijn.

Hart

Het werd tijd om mijn hart te volgen. Twee jaar geleden heb ik het werk bij het platform stopgezet en mijn praktijk als Speyertherapeut weer opgepakt. Vrijwel vanaf het begin kwamen de patiënten weer, echt onvoorstelbaar. Ik adverteer niet eens. Op het ogenblik heb ik het gigantisch druk, ben ik er fulltime mee bezig. Het werk past perfect bij me.

Veel mensen die ik behandel, komen van vaste verwijzers die in de arbeidsreïntegratie werken. Dat zijn mensen die zelf de therapie gedaan hebben en enthousiast zijn over de methode. Ik werk op dit moment vooral met mensen die dreigen in de WAO te raken, door stress en burnout. Als achtergrond speelt dan persoonlijke onverwerkte problematiek. Voor hen werkt de therapie als een soort empowermenttraining, waardoor ze weer aan het werk kunnen, aan het werk blijven of ander werk kiezen dat bij hen past.

Ik vind het schitterend. Ik zit me wezenloos te genieten in mijn werk. De Speyertherapie is heel intensief. Twee weken lang ben ik van maandag tot vrijdag elke ochtend tweeënhalf tot drie uur met iemand bezig, één op één. Iemand gaat een deel van je leven uitmaken, maar ik natuurlijk ook voor hen. Daarna krijgen ze een jaar begeleiding.

Het werk als Speyertherapeut vraagt fysiek veel van je. De kern van de therapie is de dingen die in je onderbewustzijn leven, om die te voelen en alsnog te ontladen. Het is eigenlijk emotioneel lichaamswerk. Pas als je naderhand aan tafel zit, komt het denken er weer bij en ga je het in kaders plaatsen.

Ik vind dat ik mijn werk door mijn persoonlijke geschiedenis veel beter kan doen. Het zou slecht zijn als ik mijn cliënten zou gebruiken om mijn verhaal kwijt te kunnen. Maar als je het gebruikt door iets van jezelf te laten zien als je klanten ook enorm met hun billen bloot gaan, dat geeft vertrouwen. Dus als mensen mij vragen wat er met mij aan de hand is, dan vertel ik daar in het kort over. Ik reageer ook wel eens met een voorval van mezelf, waardoor zij weer over een drempel komen om over zichzelf te vertellen. Maar ik maak wel altijd duidelijk: het gaat hier niet om mij, het gaat hier om jou.

Soms vraag ik me af hoe lang ik dit werk kan volhouden. De ene dag gaat het lichamelijk beter dan de andere. Soms denk ik: in de toekomst moet ik wel heel creatief worden om te verzinnen hoe ik de therapie kan doen zonder dat ik mijn eigen lijf te veel belast.

Eigen kracht

Ik heb geen gebruik gemaakt van regelingen om mijn praktijk als Speyertherapeut op te zetten. Dat heb ik op eigen kracht gedaan. Nou ja, met het basisinkomen van Frans. Ik heb jaren met een negatief inkomen gewerkt. Ik moest me bijscholen om mijn licentie te houden. En ik deed zo weinig therapieën dat het meer geld kostte dan het opleverde. Pas de laatste twee jaar, nu mijn praktijk begint aan te trekken, ben ik er aan gaan verdienen.

Ik heb mijn eigen bedrijf, maar omdat ik zo jong kanker heb gekregen kan ik me niet verzekeren tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dus iedere keer als ik ziek word staat ook mijn inkomen stil. Hoeveel jaar ik nog kan blijven werken is ook onzeker.

Het lichaamswerk in de therapie, de twee weken bankwerk die ik met mensen doe, die zijn fysiek belastend. Ik doe daarom maar één therapie op een dag. De gesprekken naderhand, de intakes, de begeleiding die mensen nog een jaar lang krijgen, dat gaat prima. Ik heb wel gezocht naar stoelen waar ik fatsoenlijk op kan zitten. Als ik maar zorg dat ik op een goede stoel zit, dan kan ik wel praten met mensen, dan heb ik geen last van mijn lijf. Verder heb ik geen aanpassingen op de werkplek. Ik zou ook niet weten waar ik daarvoor zou moeten aankloppen.

We hebben inmiddels wel een ander huis gekocht. Ik heb nu nog mijn werkkamer op zolder. Dat is twaalf, veertien jaar geleden zo gegroeid. Toen had ik nog niet zo’n last van mijn rug. De zolder was destijds de enige rustige plek in een huis vol tienerkinderen. Straks, in dat nieuwe huis, kan ik een verdieping lager werken. Op den duur kan ik een werkruimte op de begane grond krijgen, waar nu nog een garage is. Maar dan moet ik wel eerst het geld verdienen voor de verbouwing.

Ik moet goed kunnen plannen. Ik weet nu al hoe mijn werkdagen over drie maanden er uit zien. Ik hou het alleen vol als ik er regelmatig een paar weken tussenuit ga. Minstens vier keer per jaar. Met kerst plan ik twee weken vrij, in het voorjaar ga ik twee weken naar Bregje die naar Maleisië verhuisd is, ik kom net terug van drie weken Frankrijk, dat kan ik allemaal regelen.

Geluk

Tot een paar jaar na de rugoperatie ben ik eigenlijk aan het overleven geweest. Ik was zelfs jarenlang niet meer in de stad geweest. Toen ik daar weer kwam herkende ik het nauwelijks terug, zo veel was er veranderd. Ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren pas weer aan het leven ben. Pas sinds een jaar heb ik het idee dat de kanker echt weg is, dat het spook is verdwenen.

Ik ben heel blij dat ik verpleegkundige ben, dat ik in de medische wereld rondgelopen heb. Een arts kan heel goed zijn in zijn vak, maar hij kan ook stomme fouten maken, contactueel verschrikkelijk in elkaar zitten. Een arts is gewoon een mens, net als ik. Ik kijk niet tegen ze op, ik doe mijn mond tegen ze open. Dat heeft me in mijn proces heel erg geholpen.

Als therapeut ben je iedere keer bezig, samen met mensen terug te gaan naar hun vroegste jeugd. Dat doet ook veel met jezelf. Je krijgt telkens weer een spiegel voorgehouden. Dat houdt jezelf open en bezig.

Als je me vraagt, waar haal je je kracht vandaan, dan is liefde en intuïtie echt het belangrijkste. Ik voel vaak heel sterk, bijna onontkoombaar, of iets wel of niet goed is voor mij. Ik weet niet waar het vandaan komt, maar ik kan er niet omheen. Dat in combinatie met het zoeken naar de zin van het leven, dus ook de zin en betekenis van ziekte en lijden. Dat nadenken over de zin van het bestaan heb ik met de paplepel ingegoten gekregen en het is me vaak tot steun geweest.

De grootste verandering in mijn leven is... Als je met zo veel klachten te maken hebt, dan wil je die weg hebben. De kanker moet weg, de pijn moet weg, alles moet overgaan, het hoort er niet te zijn. De norm is: gezond, vitaal, alles in orde. Daar heb ik zelf heel hard aan meegedaan, hoor. Je moet zonder lichamelijke klachten zijn en nog gelukkig ook, dus je wilt ook geen psychische pijn. Terwijl het zo’n essentieel onderdeel uitmaakt van je leven. Je kunt de situatie vaak niet veranderen. Wat je wel kunt veranderen is de manier waarop je er zelf instaat, hoe je er mee omgaat. Alles mag er zijn, ook boosheid en verdriet. Je kunt niet zeggen: ik mag alleen maar gelukkig zijn. Onmacht mag er ook zijn, of het nou lichamelijk is of psychisch. Als je negatieve gevoelens gaat onderdrukken, dan kom je in de problemen. Laat je negatieve gevoelens toe, dan gaan je emoties stromen en komt er ook weer plaats voor andere, positieve gevoelens. Dat proces gaat je hele leven door, want als je het ene probleem oplost, loop je wel weer tegen het andere aan. De rol van slachtoffer past niemand. Die rol wordt wel veel misbruikt door mensen om geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor hun eigen leven.

Ik ben op het ogenblik erg gelukkig, heel tevreden in mijn leven. Ja, ik baal ervan dat ik nog steeds migraine heb, dat ik nog steeds pillen slik voor mijn hoge bloeddruk, dat ik nog steeds niet verder kan lopen dan tot mijn auto. Ik zou ook wel weer eens een keer bergen willen beklimmen. Ik vind het erg lullig dat ik dat allemaal niet meer kan. Dat mag ik ook lullig vinden. Maar ik heb geen zin om daar mijn leven door te laten bepalen.

Ik vind dat je altijd bezig moet zijn met je persoonlijke ontwikkeling, op een manier die bij je past. Vorig jaar ben ik met beeldhouwen begonnen. Dat heeft veel aan mijn leven toegevoegd. Als ik met die steen, met dat materiaal omga voel ik: nu ben ik pas aan het leven, nu pas ben ik dingen aan het verwerken, ze een plaats aan het geven in mijn leven, op een positieve manier.

Kiezen voor het leven is een steeds terugkerend thema in mijn leven. Ik heb een paar keer op het randje gestaan. Elke keer heeft me dat voor de keuze gesteld. Toen ik jonger was, koos ik om verder te leven voor mijn kinderen. Die hadden me nodig. Later ben ik voor mezelf gaan kiezen, voor mijn eigen leven.