WEERSTANDEN ONDER OGEN ZIEN

Gelijke behandeling op alle terreinen

 

Ronald de Leij

Zoveel doorzettingsvermogen, vasthoudendheid en levenswil, maar ook zoveel tegenspoed, terugslag en… zoveel weerstand. Na het lezen van de zeer indrukwekkende interviews in deze bundel, is het juist die weerstand die mij het meest bezighoudt. De weerstand die steeds maar weer bij anderen overwonnen moet worden om betaalde arbeid te mogen verrichten.

Je zou denken dat een samenleving die zich zorgen maakt over de arbeidsdeelname iedereen welkom zou heten die de samenleving en zichzelf vooruit wil helpen. Zeker wanneer die samenleving op het punt staat om uitkeringssystemen die arbeidsdeelname in de weg zouden staan - zoals vermoed wordt van de WAO - grotendeels te ontmantelen. En al helemaal wanneer die samenleving er ook nog eens rekening mee moet houden dat het aantal volwassenen met een ernstige handicap of chronische ziekte door een combinatie van ongewilde (uitstel van zwangerschap) en gewilde oorzaken (toenemende overlevingskansen) alleen maar zal toenemen. Veel te vaak, zo blijkt uit gesprekken met gehandicapten en chronisch zieken, is er nauwelijks sprake van welkom heten. Met name wanneer voor hun arbeidsdeelname aanpassingen van de arbeidsomgeving (fysiek of organisatorisch) noodzakelijk zijn. De bijna vanzelfsprekendheid waarmee de terugvechters die in deze bundel aan het woord komen, keer op keer naar de zijlijn worden verwezen en worden afgeremd in plaats van aangemoedigd, is bijna onthutsend. Bijna, want het verrast mij niet.

Het zou voor de hand liggen om in reactie op zoveel weerstand ‘schande’ te roepen. Om mijn oprechte bewondering voor het doorzettingsvermogen van de geïnterviewden en hun lotgenoten te vertalen in een pleidooi voor harde maatregelen. Ik zou daarmee mijn geweten sussen, maar ook mijn ogen sluiten voor de realiteit. In de werkelijkheid van alledag is die weerstand immers voelbaar aanwezig en ervaring1 leert dat harde maatregelen eerst en vooral verzet oproepen. Daar wordt niemand beter van. In plaats van de weerstand met harde maatregelen te overschreeuwen, denk ik dat we eerst eens moeten proberen die weerstand te verklaren en misschien zelfs een beetje moeten durven begrijpen, om met succes actie te kunnen ondernemen.

Afwijkend gedrag

In de negentiende eeuw werd de samenleving overvallen door het massaal opkomen van arbeid in loondienst als gevolg van de industriële revolutie en de grote armoede op het platteland. Het vrijwel ontbreken van arbeidsrecht leidde tot grote wantoestanden (de ‘sociale kwestie’). De overlevering in woord, geschrift en instituties (vakbeweging en arbeiderspartijen) van de arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden in die tijd heeft een permanente tweeslachtigheid met betrekking tot loonarbeid tot gevolg gehad. Enerzijds kan de ‘moderne’ manier van produceren die met de industriële revolutie zijn intrede heeft gedaan niet zonder massale bereidheid om in loondienst te werken; sinds jaar en dag worden jonge mensen juist daarop voorbereid (en dus niet op zelfstandig ondernemerschap). Anderzijds lijken ‘negentiende-eeuwse toestanden’ in de ogen van politici en een enkele vakbondsbestuurder nog dagelijks op de loer te liggen. De nog steeds voortdurende aangroei van wetten en regels om werknemers tegen hun werkgever te beschermen - met als meeste recente ‘aanwinst’ de Wet verruiming zeggenschap van werknemers over arbeidstijden - is nauwelijks anders te verklaren dan uit een ongefundeerde angst voor ‘negentiende- eeuwse toestanden’.

Het overheidsbeleid zwalkt daardoor onmiskenbaar en aanhoudend heen en weer tussen economische noodzaak en sociale afkeer van arbeid in loondienst. De uit vervlogen tijden overgeleverde en als algemeen vooronderstelde afkeer van loonarbeid dwingt er uit economische noodzaak toe om loonvervangende uitkeringen zó laag te houden dat daarvan niet de minste verleiding uitgaat om je aan beschikbaarheid voor loonarbeid te onttrekken. Poortwachters worden bedacht en in stelling gebracht om ‘uitsluipers’ tegen te houden. En elk voorbeeld van een uitkeringsgerechtigde die zich tegen reïntegratie lijkt te verzetten, ondersteunt de negentiendeeeuwse stelling dat werknemers - als het erop aan komt - een hekel hebben aan arbeid.

Die stelling is, naar goed wetenschappelijk gebruik, echter onhoudbaar voor zolang er ook maar één voorbeeld is dat de stelling tegenspreekt. Maar we houden niet van de onzekerheid die van dat wetenschappelijk beginsel het gevolg is. En we houden al helemaal niet van diegenen die de stelling met hun ‘afwijkend’ gedrag regelrecht tegenspreken.

Dat is nu precies wat diegenen doen die zich, ondanks het verzekerd zijn van een doorlopende uitkering vanwege hun handicap of chronische ziekte, niet van loonarbeid afkeren maar er juist in toegelaten willen worden. Je hébt toch een inkomen, wat wil je nu nog meer...

In de contouren van de aankomend nieuwe WAO laat bedoelde tweeslachtigheid opnieuw haar gezicht zien. Wie ‘volledig en duurzaam’ arbeidsongeschikt is, ontvangt een doorlopende (en hogere) uitkering. Mocht er, ondanks de volledige arbeidsongeschiktheid, toch inkomen met arbeid worden verdiend, dan wordt dit inkomen niet op de uitkering in mindering gebracht. Valt dit anders op te vatten dan dat degene die het vage etiket ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ opgeplakt heeft gekregen, nog wel voor ‘spek en bonen’ mag meedoen, maar dat niet hoeft en dus ook niet op medewerking hoeft te rekenen? Oh, wee daarentegen degene die de toets niet doorstaat! Om te voorkomen dat deze zich aan zijn vooronderstelde afkeer van arbeid zou overgeven, mag niet de minste inkomenszekerheid in het vooruitzicht gesteld worden.

Hoe zou een stelsel van sociale zekerheid er uit zien wanneer we eens van het omgekeerde uit zouden gaan: namelijk dat mensen geen aangeboren afkeer van arbeid hebben, maar daar zelfs graag toe bereid zijn - zij het dat niet iedereen altijd tot elke arbeid bereid en in staat zal zijn. Beperkingen hebben we immers allemaal!

Risico

Volgens Peter Drucker, een van de meest toonaangevende auteurs op het gebied van management, is de productiviteit van een (fabrieks)arbeider in de 20e eeuw vervijftigvoudigd.2 Mechanisatie, automatisering en voortdurend slimmer werken (geïnspireerd door de ingenieur/ondernemer F.W. Taylor) hebben geleid tot een ongekende explosie van productiviteit en welvaart. Maar de productiviteitsformule ‘toegevoegde waarde gedeeld door gewerkte tijd’ heeft ook een keerzijde. Wie voor het produceren van een bepaalde hoeveelheid toegevoegde waarde tweemaal zoveel tijd nodig heeft als een ander, is maar half zo productief. Door zijn of haar deelname aan het productieproces, daalt de gemiddelde arbeidsproductiviteit (en omgekeerd). Als voor het verrichten van die arbeid bovendien bijzondere aanpassingen noodzakelijk zijn, verminderen de kosten daarvan de marginaal toegevoegde waarde en neemt de productiviteit verder af. Voeg daarbij ook nog eens het uitvalsrisico (discontinuïteit van de arbeidsprestatie) en het mag duidelijk zijn dat in onze gestroomlijnde, onder continue tijdsdruk en voortdurende concurrentie opererende just in time arbeidsorganisaties de deuren niet meteen wijd openstaan voor werkwilligen die niet even ‘gestroomlijnd’ en voorspelbaar just in time zijn.

Naast het morele dilemma dat zich hiermee aandient, is er ook een meer praktisch dilemma. Op het niveau van de samenleving valt gemakkelijk in te zien dat zelfs de meest bescheiden netto bijdrage aan het nationaal inkomen het zou moeten winnen van een volledig door inkomensoverdracht voorzien in de kosten van levensonderhoud van gehandicapten en chronisch zieken. Elk beetje zelfstandigheid in inkomen verdient immers voorkeur boven volledige afhankelijkheid. Maar geldt dat ook op het niveau waarop over aanstelling van gehandicapten en chronisch zieken wordt besloten? We weten dat de kaarten op micro-niveau heel anders kunnen liggen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de tekst waarmee op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de algemene informatie voor werkgevers over de Wet REA opent: ‘… het mag niet zo zijn dat de financiële risico’s u als werkgever ervan weerhouden mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen.’3 Het simpele woordje ‘de’ laat er geen misverstand over bestaan dat er financiële risico’s verbonden zijn aan het in dienst nemen van mensen met een arbeidshandicap.

Werkgevers kijken nogal eens verrast op wanneer je hen erop wijst dat het aannemen van een iemand met een handicap als gevolg van de Wet Rea in combinatie met de wetten Wulbz en Pemba, financieel minder risicovol is dan het aannemen van een werknemer die (nog) niet gehandicapt is. Met voorlichting alleen los je dat niet op. Er is immers een verschil tussen feitelijk en gevoeld risico.4 En bij dat laatste speelt aan werkgeverszijde mee dat de overheid bij herhaling niet de meest betrouwbare partij is gebleken voor wat betreft de continuïteit van regelgeving die het financiële risico vermindert. Als de economische groei tegenvalt en er bezuinigd moet worden, biedt een beroep op moraliteit (‘Werkgevers moeten gehandicapten en chronisch zieken gewoon een kans geven - subsidie of geen subsidie!’) aan politici al gauw een uitweg uit macrobudgettaire problemen. Maar een beroep op moraliteit neemt de risico’s op het micro-niveau van de samenleving niet weg!

Uitzondering

Op de achtergrond speelt ook hier weer de eerder uiteengezette tweeslachtigheid een rol. Het in 2002 door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Gelijke Behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (WGBG/Cz) verplicht tot gelijke behandeling bij arbeid, in het openbaar vervoer en in het beroepsonderwijs. Anders dan de Americans with Disabilities Act (ADA) in de Verenigde Staten verplicht het Nederlandse wetsvoorstel er niet toe om Nederlanders met beperkingen in alle facetten van het maatschappelijk leven gelijk te behandelen. Werkgevers, openbaar vervoerbedrijven en instellingen voor beroepsonderwijs worden dus met dit wetsvoorstel in een uitzonderingspositie geplaatst. En omdat gelijke behandeling maatschappelijk niet vanzelfsprekend is (als het dat wél was, hadden we überhaupt geen wet nodig) roept het wetsvoorstel onbedoeld maar onontkoombaar bij werkgevers, openbaar vervoerders en beroepsonderwijzers de vraag op: ‘Waarom bij ons wél?’ De onuitgesproken, maar luid doorklinkende antwoorden van de wetgever zijn: ‘Omdat u werkgever bent; omdat u mensen naar hun werk(gever) vervoert; omdat u mensen voor werkgevers opleidt.’ Hoe anders zou het klinken wanneer we in wetgeving zouden verankeren: ‘Omdat íedereen er in alle facetten van onze samenleving bij hoort. Dus óók in het werk, óók in het openbaar vervoer en óók in het beroepsonderwijs!’

Wegkijken

Een derde verklaring voor de weerstand die gehandicapten en chronisch zieken steeds weer moeten overwinnen, ligt mijns inziens besloten in de voor het aanleren van beleefdheid doorgaande onderdrukking van kinderlijke nieuwsgierigheid. Het onbekende trekt als kind onze aandacht. We willen het kennen en verkennen om het een plaats te kunnen geven in ons begrijpen van de wereld om ons heen. Als toeristen hoeven we in andere steden en andere leden die nieuwsgierigheid nooit af te leggen, mogen we onbeleefd zijn en ‘kind’ blijven. Maar als kind mogen we niet achterstevoren in de bus gaan zitten of blijven staan op straat om die ‘mijnheer of mevrouw’ te leren kennen. We leren om vóór ons te kijken, om door te lopen en vooral géén vragen te stellen. Dus geeft de caissière die bij het afrekenen van een aankoop het geld van een klant in een rolstoel ontvangt, het wisselgeld aan degene die de rolstoel duwt. Dus ziet de werkgever die een sollicitant op basis van een uitstekend cv voor een gesprek heeft uitgenodigd, bij aankomst van die sollicitant éérst de blindenstok en pas dan de sollicitant die hem vasthoudt.

Is het alleen maar (vermeende) beleefdheid die ons heeft geleerd om de ogen af te wenden? Of zou het ook een van ouder op kind overgedragen angst kunnen zijn dat we door al te nadrukkelijk aankijken zélf ‘besmet’ kunnen raken? Hoever staan we in werkelijkheid en met al onze zogenaamde beschaving af van natuurvolkeren die er bang voor zijn dat met het nemen van hun foto ook hun ziel in het fototoestel gevangen raakt? Of willen we daarnaast of in plaats daarvan gewoon niet geconfronteerd worden met de levensrisico’s die anderen hebben getroffen en die we zelf ook lopen, maar die we ons het liever niet en zeker niet voortdurend bewust willen zijn?5 Zijn het alleen maar goede bedoelingen met betrekking tot de gehandicapten en chronisch zieken zelf geweest die ons er decennialang toe hebben gebracht om hen een rustig plaatsje ‘ver weg in het groen’ aan te bieden? Het is niet mijn bedoeling om de integriteit van wie dan ook in twijfel te trekken; ik plaats slechts kanttekeningen bij het gemak en niet zelden de snelheid waarmee de samenleving hen in hun integriteit heeft bevestigd (zoals bij de actie Open Het Dorp in 1962). Want natuurlijk hebben we als samenleving het beste met ‘onze’ gehandicapte en chronisch zieke medemensen voor, maar liever niet in eigen huis of in onze directe omgeving.

De consequenties liggen voor de hand. We weten individueel en maatschappelijk niet goed raad met gehandicapten en chronisch zieken, zoals we überhaupt steeds minder raad lijken te weten met de schaduwzijden van het menselijk leven. Wie voor langere tijd in die levenszone geraakt, verliest al gauw zijn zonminnende vrienden. Gelukkig worden niet zelden nieuwe vrienden gevonden, vaak echter in dezelfde zone. Daar immers is van confrontatie en handelingsverlegenheid geen sprake. Is het toeval dat veel gehandicapten en chronisch zieken een nieuwe (arbeids)bestemming vinden in de zorg voor andere gehandicapten en chronisch zieken, met alle daaraan verbonden risico’s van segregatie in plaats van integratie? Een tweede consequentie is dat voortdurende risicopreventie, net als continuïteit van beleid, zo moeilijk is op te brengen. ‘Is dit hoogstandje van architectuur wel toegankelijk voor gehandicapten?’ ‘Kan deze werkplek in voorkomende gevallen gemakkelijk worden aangepast?’ Enzovoorts. We weten dat voorkomen beter is dan genezen, maar voorkomen vraagt om doorlopende aandacht, genezen alleen wanneer het is misgegaan. Het is geen domheid of kwade wil, maar een kwestie van menselijke natuur en van maatschappelijke inrichting.

Onder ogen

Is hiermee de weerstand die gehandicapten en chronisch zieken ondervinden wanneer zij aan betaalde arbeid willen deelnemen, afdoende verklaard? Stellig niet. Elke afdoende verklaring loopt immers het risico voor een vergoelijkende verklaring te worden aangezien. En van vergoelijking kan en mag geen sprake zijn.

Diep onder de indruk van de getuigenissen in deze bundel heb ik mij dan ook op glad ijs begeven. Want heb ik met mijn verklaringen niet impliciet begrip gevraagd voor de opstelling en het reactiepatroon van de nietgehandicapte omgeving? Mag dat wel?

Het is mijn persoonlijke overtuiging dat we met daadwerkelijke integratie van gehandicapten en chronisch zieken in onze samenleving pas een structureel begin maken, wanneer we niet langer vanuit een moralistisch principe de weerstand ontkennen of tegenspreken, maar onder ogen zien en op basis daarvan handelen. Dit betekent dat we ons moeten durven uitspreken voor een samenleving waarin gehandicapten en chronisch zieken op gelijke behandeling mogen rekenen in én buiten het werk, waarin de aanpassingen die daarvoor nodig zijn door ons allen worden opgebracht, waarin we er op voorhand en tot iemand individueel het tegendeel bewijst, van uitgaan dat iedereen werkwillig is (in loonafhankelijke arbeid of als zelfstandige), waarin het voor kortere, langere of onbepaalde tijd uitgesloten raken van deelname aan de kernprocessen van het scheppen en herscheppen van maatschappelijke waarde als een traumatische ervaring wordt aangemerkt die permanent voorkomen moet worden en - als het toch gebeurt - van de kortst mogelijke duur moet zijn, waarin we onze kinderen toestaan en zelfs stimuleren om hun op leren kennen gerichte nieuwsgierigheid te bevredigen, waarin we als jongvolwassenen en volwassenen de risico’s die inherent zijn aan ons leven als onverbrekelijk met het leven zelf samenhangend onder ogen zien, zoals diegenen die deze risico’s op hun levensweg hebben ontmoet onverbrekelijk tot onze samenleving behoren. In reactie op alle inspanningen van gehandicapten en chronisch zieken om er volwaardig bij te horen en mee te doen, lijkt mij dat niet te veel gevraagd.

Ronald W.P.A.M. de Leij is hoofd Strategische Beleidsontwikkeling bij werkgeversvereniging AWVN en lid van de Commissie Het Werkend Perspectief . Hij schreef deze bijdrage op persoonlijke titel.

Noten

  1. Te denken valt onder meer aan een verbod op medische keuringen.
  2. Peter F. Drucker. Knowledge Worker Productivity: the biggest challenge.
    California management review, vol 41. no 2, winter 1999, pp. 79-94.
  3. cursivisering door de auteur.
  4. De voetballer Dennis Bergkamp reist zo mogelijk per auto in plaats van per vliegtuig. Objectief beschouwd is het eerste aanmerkelijk risicovoller dan het tweede.
  5. Confrontatie en bestraffing liggen niet zo ver van elkaar af. Vergelijk bestuurders van motorvoertuigen die op overschrijding van het alcoholpercentage worden betrapt en bewust worden geconfronteerd met het risico van hun misdrijf voor anderen en voor zichzelf. Vergelijk de eerstdaags op sigarettenverpakkingen verschijnende plaatjes van door roken verwoeste longen.