WILLEM JAN TINKE |
Je kunt ook
heel veel voldoening halen uit iets wat je misschien maar twee of drie
jaar volhoudt...
Willem Jan Tinke (40) is professioneel muzikant, muziekdocent en huisman. Zijn instrumentis de panfluit. Hij woont in Bovensmilde.
Ik ben geboren en getogen in Rotterdam. In ons gezin was ik een beetje een buitenbeentje. Ik voldeed niet aan de verwachtingen, aan de normen. In mijn familie wordt veel waarde gehecht aan status en stand. Mijn vader was hoofd van de middelbare school waar ik ook op zat. Mijn broer is het zakenleven in gegaan, die heeft een behoorlijke maatschappelijke carrière gemaakt. Ik wilde van begin af aan meer persoonlijk, meer met mensen bezig zijn. Dat botste gigantisch. In 1977 was ik klaar met de mavo. Ik wilde de muziek in, dat vond ik leuk, daar kon ik mijn ei in kwijt. Maar ik kreeg daar van thuis eigenlijk niet de kans voor. Er werd bijzonder sceptisch gekeken naar het artiestenleven. Dat had niet genoeg maatschappelijke status, daar kon je toch niets mee verdienen. Ik heb het nog wel op eigen initiatief geprobeerd. Ik heb toen voor klarinet en sax het voorbereidend jaar voor het conservatorium gedaan. Later heb ik pas begrepen hoe belangrijk de steun van mensen om je heen is. Het examen voor solfège heb ik niet kunnen halen. Ik had het wel kunnen overdoen, maar daar had ik door het gebrek aan steun van thuis geen zin meer in. Achttien was ik toen. Eigen gangEerst heb ik een paar jaar in een handel voor gereedschappen en ijzerwaren gewerkt. Ik wilde rustig voor mezelf op een rijtje zetten hoe ik verder kon gaan. Het werd de sociale sector. In 1982 kon in Ermelo gaan werken in ‘s Heerenloo-Lozenoord, een van de grootste zwakzinnigeninrichtingen in Nederland. Dat was een combinatie van leren en werken, dus je kreeg ook een inkomen. Toen ben ik ook het huis uitgegaan. Heerlijk vond ik dat, lekker mijn eigen gang gaan. In 1985 ben ik getrouwd met Coby. In 1987 kwam Coen, kort daarop Luit en Geja. Toen de kinderen kwamen, is mijn vrouw gestopt met werken. Ik heb nu een paar heerlijke pubers thuis. Wij zijn allebei veertig, dus dat kunnen we wel hebben. Ik heb in Ermelo de Z-verpleging gedaan, plus een begin van de managementopleiding. In 1990 moest daar gereorganiseerd worden. Ik kon wel in dienst blijven, maar dan gedetacheerd in een verpleeghuis in Amsterdam. Daar had ik helemaal geen zin in. In een verpleeghuis heeft de doelgroep toch heel andere perspectieven. Ik wil iets kunnen opbouwen met de mensen met wie ik werk. Coby is een ras Groningse, die wilde wel graag terug naar het noorden. Eigenlijk is het heel soepel gegaan. Ik belde naar Assen, naar het centrum voor verstandelijk gehandicapten Hendrik van Boeijenoord, of ze mensen zochten. Binnen een week kon ik aan de slag als afdelingshoofd. Dat was een mooie stap vooruit. Ik ben in de zorg gaan werken omdat ik mijn nek wilde uitsteken voor mensen met een zwakkere positie in de maatschappij. Kijken wat je kunt doen om mensen een zo aangenaam mogelijk leven te bieden. De laatste jaren heb ik gewerkt in wat ze in de zorg een zware setting noemen, met mensen met een laag niveau, mensen met gedragsproblemen. Ik vond het niet zwaar, ik vond het juist heel mooi werk. Je wilt het onderste uit de kan halen voor mensen. Daarvoor moet je heel goed naar de persoon kijken. Wat voor iemand is het, wat kan hij, waarom reageert hij zoals hij reageert, komt dat uit de persoon of komt het uit de omgeving en als het uit de omgeving komt, kunnen we daar dan wat aan doen? Vaak zie je dan dat ze toch gelukkiger worden, in tachtig of negentig procent van de gevallen zie je dat echt voor je ogen gebeuren, als je maar op de goede manier aandacht geeft aan mensen. Bijvoorbeeld bij mensen die zichzelf beschadigen, dan is het heel boeiend om te zoeken naar hoe je zo’n patroon kunt doorbreken. Ik had in dat werk veel aan mijn muzikale achtergrond. Alleen al het besef: wat doet geluid. Daar ben je je vaak niet van bewust. Maar iemand kan bijvoorbeeld helemaal van slag raken als achter hem de deur hard dichtslaat, als het personeel over hem praat waar hij bij staat, als je een radio aanzet waar hij niet om gevraagd heeft of als er een schoonmaker binnenkomt die gelijk de wc’s gaat soppen zonder eerst even ‘hallo’ te zeggen tegen de bewoners. Dat zijn allemaal prikkels waar mensen zelf niets mee kunnen, dat geeft heel veel onrust en dat gaat dan weer gepaard met ongewenst gedrag. Ook ongewenst voor die persoon, die is er zelf ook niet gelukkig mee. Daar op letten, daar aandacht voor hebben, je verplaatsen in de persoon die hier woont, terwijl jij eigenlijk alleen maar komt om er te werken, dat is niet alleen een kwestie van voldoende personeel, daar moet ook duidelijk beleid op zijn. Mijn ambitie was niet om zo hoog mogelijk te komen. Maar ik had wel ideeën, ik wilde wat. En dan kon ik wel vanaf de zijlijn met mijn eigenwijze kop ventileren hoe het zou moeten, maar ik vond dat ik dat als verpleegkundige ook moest waarmaken. Dus ik wilde graag het manage- ment in. In mijn tijd was ik meewerkend afdelingshoofd, vijftig procent leidinggevend, vijftig procent meewerkend. SchokkenIn 1992 kwam ik van de ene op de andere dag thuis te zitten. Er was op de afdeling een crisissituatie met bewoners, waarin ik corrigerend moest optreden. Dat ging mis. Een van de bewoners sprong op mijn rug. Ik dacht eerst dat ik gewoon door mijn rug gegaan was. Maar na een paar weken begon ik te beseffen: hier klopt iets niet. Mijn polsen werden dik, ik kreeg last van ontstoken urinewegen, mijn ogen gingen ontsteken. Eerst had ik nog het idee dat ik er kennelijk wat langer tussenuit zou moeten, dat ik even helemaal afgewerkt was, dat het tussen mijn oren niet goed zat. Maar een vervangende huisarts vond het toch niet normaal wat hij zag en stuurde mij door naar het ziekenhuis, voor een bloedproef. De volgende dag kon ik terugkomen en toen mocht ik gelijk een paar weken blijven. Uit het bloedonderzoek - en naderhand de foto’s - bleek dat ik de Ziekte van Reiter had. Dat is een reumatische aandoening. Toen begon de zaak een beetje te schokken, hier thuis. Het is een ongrijpbare ziekte, je weet dat je op een gegeven moment immobiel wordt, maar je weet niet hoe en wanneer. Je hebt momenten dat het vrij goed gaat, maar ook momenten dat het heel slecht gaat. Die eerste periode was ik steeds in het ziekenhuis en dan weer een paar weken thuis, dan weer een kuur, toch maar eens wat proberen, ontstekingsremmers, pijnstillers. Vooral de eerste maanden waren echt heel min. Doordat je niet meer werkt, kom je tot rust en dat leidt ook tot een explosie van de ziekte. De eerste vier, vijf jaar ben ik heel veel met mezelf bezig geweest. Ik kon het gewoon niet verkroppen, voelde heel veel kwaadheid. Ook mijn vrouw heeft heel wat te verduren gehad. Ik was zo bang dat ze weg zou gaan, wilde per se dat ze zou blijven. Achteraf is dat wel te verklaren, ze was mijn enige houvast. Maar voor haar is dat wel heel beklemmend geweest. Ze ging weer werken, er moest geld op tafel komen, we hadden toen net dit huis gekocht. Ik was ook heel bang. Ik dacht: jongens, wat gaat me allemaal gebeuren. Ze kunnen niet zeggen wanneer de ziekte opvlamt en waar in je lichaam. Ik kan bijvoorbeeld longontsteking krijgen, dat kan heel riskant zijn. Je algehele conditie wordt minder. Het is een heel proces waar je doorheen gaat. BalansJe hebt bij deze ziekte veel zelf in de hand. Aan de ene kant moet je veel rust in acht nemen. Aan de andere kant moet je ook zorgen dat je actief blijft, want anders verstijf je. Daar moet je een balans in zoeken. Lopen is niet meer mijn favoriete activiteit. Als ik honderd meter heb gedaan dan doet alles me zeer, mijn heupen, mijn knieën. Mijn vrouw houdt heel erg van lopen, ook van hardlopen. We hebben een compromis gevonden, ik fiets er dan naast. Ik heb aan die fiets wat aanpassingen gedaan, een goed verend zadel, een goed verende stuurpen, dan bonkt het allemaal niet zo. HardVrij snel ben ik begonnen met kijken of ik weer wat in de zorg zou kunnen doen, aan de zijlijn. Daar heb ik de papieren voor. Ik heb echt gevochten om niet afgekeurd te worden. Maar de artsen zeiden: ‘U heeft die ziekte, het is voor ons wel helder, u wordt volledig afgekeurd, klaar.’ Ik zei: ‘Ja, hallo, ik wil werken, geef mij een aangepaste bureaustoel of wat dan ook. Geef mij een functie waarin ik aan de randvoorwaarden kan gaan werken, voorwaardenscheppend. Dat kan ik ook thuis doen als ik een keer een slechte dag heb. Dan typ ik op een laptopje en neem ik het de volgende dag wel weer mee.’ Het directe, uitvoerende werk, dat kon ik niet meer, daar was ik het mee eens. Maar het indirecte werk, dat kon ik nog wel. Desnoods voor 40% of 50%. Maar nee hoor, daar was vanuit de bedrijfsvereniging allemaal geen discussie over mogelijk. Het was over en uit. Dat heeft me heel zeer gedaan. Ook toen al las je in de kranten over de WAO en van die idiote verhalen dat mensen die zo ongeveer half dood zijn toch nog aan het werk zouden moeten, dat ze geen uitkering meer zouden krijgen. Ik kon me daar zo kwaad over maken, dan dacht ik: ‘Verdorie, ik kan best nog wel wat, maar ik krijg de kans niet.’ Dat vond ik keihard. Vijf jaar later ben ik nog een keer teruggegaan, de bedrijfsvereniging heette toen Cadans, met een gedeelte Kliq voor de reïntegratie. Ik wilde weten: ‘Wat zijn mijn mogelijkheden’. Nou, zeiden ze: ‘Die mogelijkheden zijn nul.’ Ik zei: ‘Nee, ik wil gewoon eens met jullie praten. Ik wil me omscholen. De opleiding die ik heb, daar kan ik niets meer mee, dus ik wil weten wat er kan, wat ik mag.’ Ik vond het zelf te gek dat ik thuiszat. Ik wilde wat. Zeiden ze: ‘Nou meneer, gaat u maar vrijwilligerswerk doen.’ Ik zei: ‘Daar gaat het me niet om. Ik wil gewoon in de maatschappij weer wat doen.’ Eentje durfde er tegen mij te zeggen: ‘Meneer, wij bepalen wel wat goed voor u is.’ Toen ben ik heel hard weggelopen. Thuis zei ik tegen mijn vrouw: ‘Het is dat ik het niet kan, maar anders had ik die vent zo over de tafel getrokken.’ Zo kwaad was ik. Panfluit Dan kom je op een punt dat je zegt: wat nu. Toch maar thuisblijven? Ik dacht: als ik dat doe word ik zo gestoord als een deur. Op dat moment - zo’n vier, vijf jaar terug - heb ik besloten om weer wat in de muziek te doen. Ik heb mijn oude instrumenten, mijn saxofoon en mijn klarinet weer ter hand genomen. Maar het wilde gewoon niet. Mijn oude niveau kreeg ik niet meer terug. Ik miste het tempo, ik miste de kracht van het aanslaan. In een gekke bui - ik was toen bij mijn moeder - zijn we naar de muziekhandel gegaan en daar heb ik zo’n bosje bamboe gekocht. Toen ik thuiskwam zei Co, mijn vrouw: ‘Wat heb je daar nou.’ Dat was dus mijn eerste panfluit. Ik had al heel snel in de gaten dat ik wat kon met dat instrument. In Emmen vond ik een leerkracht die bereid was om me te helpen, Jacques Marcus. Van lieverlee wilde ik ook de muziektheorie weer oppakken. Het conservatorium kwam niet in aanmerking, want die hadden geen parttime opleiding en fulltime, dat redde ik niet. Na wat speurwerk zijn we op de Schumann Akademie gekomen, in Zwolle. Dat is een puur muziekwetenschappelijke opleiding. Aan de ene kant wilde ik kennis vergaren. Aan de andere kant, je hebt met zo’n opleiding een papiertje waar je naderhand misschien nog eens verder mee kunt gaan. Die opleiding heb ik bijna afgerond. In de klassieke muziek is niets geschreven voor panfluit. Dus speel ik fluitpartituren, vioolpartituren, hobopartijen. Ik probeer altijd goed te luisteren of een stuk iets is voor mijn instrument, of ik me er zelf in kan vinden, of de sfeer mij zelf wat doet. Het verschil tussen de panfluit en andere instrumenten is dat je niet constant grote toonafstanden kunt spelen, dat is gewoon niet te behappen. Zes keer een octaaf of een noon in één maat, dat lukt nauwelijks, dan ben je echt kapot. En het klinkt ook niet, je kunt dan geen mooie toon maken, het wordt heel hakkepufferig. Maar goed, daar leer je mee omgaan, je leert luisteren en beoordelen: wat kan ik er mee. Voor het bespelen van de panfluit heb je geen vingersnelheid nodig, geen kracht in je handen om kleppen dicht te doen of snaren goed aan te drukken. Ik hoop dat het nog ver weg blijft, maar mochten mijn handen gaan vergroeien, dan kan het ook nog. Ik heb gemerkt, het brengt me een hoop lol. Ik kan er heel veel in kwijt, emoties, stemming. Als ik me prettig voel kan ik dat er in kwijt, maar ook als ik het even helemaal heb gehad, of als ik pissig ben. Dan kun je letterlijk de zaak even van je af blazen. PremièreEr kwamen wat optredens op mijn weg via Jacques. Mensen horen je dan een keer spelen en willen je nog wel eens horen. Ik speelde steeds vaker, in galeries of in kerkdiensten. Twee jaar terug zagen Co en de kinderen het televisieprogramma Man bijt hond. Daar zat een stukje in van de Tour met Jan Vayne, die ging optreden met jonge muzikanten met een handicap. Dat wordt georganiseerd door Werkenrode. De kinderen hadden mij de kop een beetje gek gemaakt, ze zeiden: ‘Dat kun jij ook.’ Ik zei: ‘Ja, da-ag.’ Maar ja, ze gingen een beetje drammen, dus toen heb ik in een impulsieve bui gezegd: ‘Nou prima jongens, dan bel ik ze toch gewoon op.’ Ik dacht: ik ben geen jonge muzikant, zo’n oude bok vast hoeven ze niet, met mijn 37 jaar. Maandag heb ik opgebeld, dinsdag werd ik teruggebeld, donderdag kon ik komen om met Jan een optreden te doen. Achteraf bleek dat ik in de première stond. Tevoren heb ik even telefonisch contact gehad met het management van Jan Vayne. Ze zeiden: ‘Willem, wat gaan we doen.’ Ik zei: ‘Dat weet ik nog niet.’ Zeiden zij: ‘Neem je koffer met muziek maar mee, dan zien we wel.’ Achteraf bleek dat die mensen mij al beter kenden dan ik zelf ooit in de gaten heb gehad. Toen we er heen gingen had ik nog zoiets van: gewoon leuk een stukje spelen. Ik kwam daar binnen en ik schrok me het apezuur. Het was in een enorme tent, met veel publiek en allemaal bekende Nederlanders erbij. Maar ja, toen kon ik niet meer terug. Ik dacht wel: oké, ik ga er gewoon voor, als het mis gaat heb ik in ieder geval een leuke avond gehad. Aan het eind van de avond waren ze wild enthousiast. Met name Jan Vayne. Terwijl ik er zelf eigenlijk helemaal niet zo’n goed gevoel over had. Ik vond dat ik een beetje mechanisch gespeeld had. Ik kon er eigenlijk weinig van mezelf ik leggen, ik was op dat moment gewoon op van de zenuwen. Maar Jan zei direct, al toen we de zaak tevoren nog even hadden doorgenomen: ‘Dat komt wel goed met jou.’ De mensen van het management zeiden: ‘Je hoort nog van ons.’ Ik dacht: ‘Het zal wel.’ Belden ze anderhalve week later al. Dat eerste jaar heb ik een concert of vijftien met Jan Vayne gedraaid, dit jaar weer een stuk of tien. Ik heb gemerkt: zulke optredens, dat is wat ik wil. Inmiddels kan ik mijn gevoel er enorm goed in kwijt, kan ik er echt iets van mezelf in leggen. In het begin was het niveau van de Tour soms niet zo goed, dan leek de handicap van sommige artiesten belangrijker dan de muziek, dan kreeg je van die sentimentele optredens. Inmiddels is dat anders geworden, de bedoeling is dat je op professioneel niveau gaat zitten. De handicap is niet meer het belangrijkste. Het wordt wel gemeld, maar uiteindelijk gaat het om de kwaliteit van de muziek. Iets losmakenHet plan is dat we ook buiten de Tour om commerciële optredens gaan geven. Gisteren zei Steven Rutgers - dat is mijn contactpersoon bij het management van Jan Vayne - nog tegen mij: ‘Het moet mogelijk zijn dat we volgend seizoen twintig tot dertig optredens regelen.’ Ik zie dat wel zitten. Eén optreden in de week, misschien twee, dat trek ik. Het moeten er geen vier worden, daar heb ik de energie niet voor. Ik kan het ook doen omdat een kennis van me altijd rijdt. Hij sjouwt de spullen. Ik zeg wel eens: ‘Als je een echte artiest bent, wordt alles voor je geregeld...’ Daardoor kan ik het volhouden. Elk optreden geeft me een kick. Ik vind het elke keer weer boeiend: hoe reageert de zaal, wat kan ik wel doen, wat kan ik niet doen. Je komt ook wel eens in zalen, die zijn vrij steriel, met beleefd publiek dat wel netjes applaus geeft maar niet meeleeft, dan is het heel moeilijk. Ik wil iets losmaken bij mensen. Soms zeggen mensen dat ze kippenvel hebben gekregen van mijn muziek. Daar word ik dan een beetje verlegen van, maar ik ben wel blij dat mijn muziek de mensen wat gedaan heeft. Soms zit ik wel eens te denken aan het maken van een cd. Maar ja, hoe moet je dat in het vat gieten. Ik heb voor mezelf wel helder wat ik zou willen doen: filmmuziek, klassiek en volksmuziek. Dat moet je goed opbouwen, net als tijdens een optreden. Ik wil geen muzikaal behang maken, ik wil muziek maken waar je met aandacht naar kunt luisteren. Jacques heeft wel eens tegen mij gezegd: ‘Ik kan merken dat je weer goed in je vel zit, er zijn kloten gekomen in die muziek van jou.’ Interpretatie Afgelopen voorjaar kreeg ik de kans om mijn leraar in Emmen vier maanden te vervangen. Inmiddels doe ik dat op invalbasis. Ik werk dan met de leerlingen niet zozeer op techniek, daar zie ik ze te kort voor. Ik leg het accent op de muzikale interpretatie, wat kun je met het instrument, wat spreekt je aan, wat doet het met jezelf. Heel boeiend. Dan ben ik echt weer met mensen aan het werk, net als in mijn oude vak. Bij het lesgeven moet ik wel rekening houden met mijn handicap. Als ik een hele middag achter elkaar les moet geven, ben ik aan het eind soms zo moe dat ik niet meer met een leerling mee kan spelen. Ze hebben er wel begrip voor en ik heb nog wel genoeg aandacht, maar het is toch beter als ik wel kan meespelen. Inmiddels heb ik geleerd om daar mee om te gaan. Minder lessen op een middag plannen, meer pauze tussendoor. Net na de vakantie ben ik benaderd door het Instituut voor Creatieve Ontwikkeling, het ICO in Assen, of ik bij hun wat kon komen doen. We hebben een open dag gehad en een workshop. Daar bleek dat er inderdaad vraag is naar panfluitlessen. Er zijn veertien aanmeldingen, voor een instrument als de panfluit is dat behoorlijk wat. Mensen van alle leeftijden, van 10 tot 75 of 80, dat vind ik schitterend. Met veertien leerlingen en nog wat taken erbij heb je zo’n twaalf tot vijftien uur per week werk. Dat is voor mij een hele mooie basis, dat is iets om vol te kunnen houden. Als ik die uren goed kan verdelen, zie ik me dat wel tot mijn 65e doen. De optredens doe ik nog twee of drie jaar. Dat is hard werken, zeker in de frequentie die we nu in gedachten hebben. Daarna zal ik heus wel blijven optreden, maar op een veel lager pitje. Of misschien wel helemaal niet, dat zie ik dan wel. Ik heb inmiddels geleerd dat dingen eindig zijn, dat je ook heel veel voldoening kunt halen uit iets wat je misschien maar twee of drie jaar volhoudt. GrensgevalVoor de WAO ben ik een beetje een grensgeval. Je mag 20% bijverdienen, daar zit ik op dit moment net niet aan. Als ik méér betaald ga werken, wordt mijn uitkering gekort. Ik zit daar een beetje tegenaan te hikken. Aan de ene kant voel ik: ik ga er voor, het komt goed, ik kan een lagere uitkering wel aanvullen door middel van optredens. Maar Coby zegt tegen mij: ‘Willem, hoor eens, dit doe je een paar jaar en dan ben je stuk.’ Dan zeg ik: ‘Dat weet ik, maar dan kijk ik daarna wel naar een prachtig mooi fotoalbum. Dan geniet ik, dat vind ik schitterend.’ Maar ja, je moet ook naar het politieke verhaal kijken. Er is momenteel niets zo onzeker als de WAO. Co zegt dan: ‘Zorg dat je er in blijft.’ Ik heb het er met Kliq over gehad, en ik heb nu van hen een redelijk lange terugkeergarantie gekregen, in ieder geval drie jaar, misschien vijf jaar. Daar wil ik dus graag gebruik van maken, want tussen nu en vijf jaar heb ik echt wel een idee van hoe het verder gaat. Van het geld van een erfenis hebben we de investeringen kunnen doen in de geluidsapparatuur en in het vervoer. Ik heb een kleine bestelauto om alle instrumenten en spullen te vervoeren. Ik ben bezig om er een bedrijf van te maken, ik ben op zoek naar een goede vorm om dat in te gieten. De beste vorm is waarschijnlijk ‘zelfstandig artiest’, met een zelfstandigheidverklaring van de belastingdienst. Kliq is bezig dat soort dingen voor mij uit te zoeken. Ik heb ook goede afspraken over het verrekenen van mijn inkomsten met de uitkering. Ik heb die erkenning bij ze afgedwongen. Ze zeggen nu: ‘Wat knap hoe je het gedaan hebt, wat bijzonder.’ Nu zijn ze heel positief, willen ze ineens alles wel voor me doen. Ook straks, als ik een vaste werkplek heb in Assen, dan gaan zij voor de aanpassingen en voorzieningen zorgen. Dat gaat via het Rea-traject. Maar eigenlijk vind ik het de omgekeerde wereld. Ik heb het helemaal zelf gedaan. Als het aan hen had gelegen, was ik hier al die tijd thuis blijven zitten. Vooral Cadans werkte in het begin helemaal niet mee. WaardevolCoby is een fijne vrouw. Het is heel bijzonder hoe zij mij begeleid heeft toen ik thuis kwam te zitten. Het ging tussen ons niet altijd even zachtzinnig en van een leien dakje. Eerlijk gezegd heeft die periode ons bijna ons huwelijk gekost. Maar ondanks alles is ze in mij blijven geloven. Die eer komt haar toe. Toen ik begon met de panfluit naar buiten te treden, was ik heel onzeker. Co en de kinderen hebben me eigenlijk zitten pushen, die zeiden: ‘Je kunt het.’ In het begin zei ik vaak: ‘Ik ben een fluitende huisman.’ Daar ging mijn vrouw dan flink tegenin, dan zei ze: ‘Dat moet je niet steeds zeggen. Je haalt jezelf naar beneden en dat is nergens voor nodig.’ Als je van de ene op de andere dag thuis komt te zitten, reageren veel mensen uit je omgeving alsof je niet volwaardig meer bent. Daar heb ik heel veel moeite mee gehad, dat is een enorme knokpartij geweest. Tegenwoordig zeg ik: ‘Ik ben artiest én ik ben huisman.’ Co vindt het prettig dat ik weer dingen onderneem, dat we niet meer steeds worden betrokken bij het ziek zijn. Ze geniet er van dat ik weer met verhalen thuiskom, ze ziet dat ik gezelliger word. Ik vind het belangrijk om te laten zien: wat je ook hebt - iedereen heeft zo zijn manco’s - ga je daar alsjeblieft niet op blindstaren. Dat heb ik in die tien jaar wel geleerd. Kijk wat je wél kunt. Je kunt je heel erg focussen op wat je niet kunt. Dan wordt je wereldje heel beperkt. En voor je medemens word je er niet beter op, dan word je een vervelend iemand. Dat heb ik zelf ook ervaren. Ik heb gezien dat ik in die moeilijke periode het gezin enorm te kort heb gedaan. Op een gegeven moment ben ik gaan beseffen: kijk naar de leuke dingen, de goede dingen. Als ik hier om me heen kijk, zit ik er best goed bij. We wonen mooi, met de kinderen gaat het goed, daar mogen we best trots op wezen. Door zulke dingen te zien heb ik weer lol in het leven gekregen. Misschien heeft het met mijn gereformeerde achtergrond te maken. Woeker met de talenten die je hebt, het maakt niet uit hoe groot of klein die talenten zijn. En vooral: deel ze met de ander. Dat is wat ik geleerd heb van deze situatie. Voordat ik ziek werd, was ik toch wel bezig met: ik wil dit, ik wil ze, status opbouwen, een huis kopen, dat soort dingen. Dat ging eigenlijk vanzelf. Maar als je dan thuis komt te zitten, merk je pas wat echt belangrijk is. We moesten het binnen deze vier muren met elkaar zien te redden. Dat is een tijdlang heel moeilijk geweest. Nu het weer goed gaat weet ik: veel belangrijker dan status of positie of bezit, is dat je op elkaar kunt terugvallen. AndersAls je een ziekte hebt zoals ik, stuit je veel op onbegrip. Naar twee kanten. Ofwel mensen vinden je zielig. Ofwel ze denken dat er eigenlijk niet zo veel met je aan de hand is, omdat ze je alleen maar zien op momenten dat je goed functioneert. Beide vind ik op zijn tijd heel erg moeilijk. In het begin was mijn valkuil dat ik me steeds maar weer ging verdedigen, ging uitleggen waarom wij een aangepaste keuken nodig hebben of een andere auto. Of ik zei een beetje cynisch: ‘Tja, een paar rotte benen, maar moet je kijken wat je er voor terug krijgt...’ Ik doe dat niet meer, ik vind die discussies niet meer zinvol. Er is ook jarenlang over mijn hoofd heen gepraat, dan vroegen ze aan Co hoe het met ons ging, waar ik bij stond. Of ze bellen ons op, krijgen mij aan de telefoon en vragen dan rechtstreeks naar Co. Nu ik weer werk, succes heb in mijn vak, word ik door sommige mensen weer als een serieuze gesprekspartner gezien. Ook vanuit mijn familie krijg ik veel reacties in de trant van: hoe mooi het is dat ik dat allemaal voor elkaar heb gekregen. Voor mij is dat een duidelijk bewijs dat het ze niet gaat om je persoon, maar om wat je hebt of wat je weet te bereiken. Ik wil juist dat mensen mij respecteren om wie ik ben, gewoon als Willem, en me niet als een meer of mindere persoon zien, alleen om wat ik wel of niet doe. Dat kan alleen in een wisselwerking, als je ook oog hebt voor die ander. Dat moet je leren, want in het begin had ik helemaal geen oog meer voor anderen, was ik alleen maar boos en gefrustreerd over wat mij was overkomen. Je leert van je fouten en missers. Ik ben ook een andere vader voor mijn kinderen dan ik misschien gewild had. Je kunt niet mee gaan voetballen, met vakantie gaan is anders. Afgelopen zomer gingen we naar Tsjechië, maar na drie dagen moesten we al terug naar huis, omdat het echt niet ging. In het begin heb ik me daar wel schuldig over gevoeld, nu niet meer. Ik ben een ander soort vader als die van hun vriendjes en vriendinnetjes, maar daarom nog niet minder. Af en toe ben ik zo kapot, zo moe, dan moet ik een dag of twee op bed liggen om bij te komen. En die optredens, dat is af en toe veel regelwerk. Dat ik veel weg ben, is ook voor Co best belastend. Maar ze heeft nu wel een leukere huisgenoot thuis. Niets ten nadele van het vak van huisman, maar iets buiten de deur doen geeft toch wel heel veel voldoening. Dat het ook nog geld oplevert is een leuke bijkomstigheid, al was het me daar in eerste instantie niet om te doen. Ik vind het heel boeiend om zoiets mee te maken, om bezig te zijn, heerlijk om mijn emoties te uiten, om met mijn optreden mensen een prettige avond te geven. |